Legitimatie conform Romeinen 13

MOSKOU, 27 FEBR. Het gaat om zevenëntwintig treden. Inclusief de halve. Dag in dag uit staan de mensen bij de lift op de begane grond om die luttele 27 stappen te vermijden. Ze hebben vaak minuten geduld. Ook als de lift weer eens niet werkt en Tatjana, de speciale full-time liftdispetsjer in het gebouw, elders een kopje thee drinkt en het probleem dus niet kan delegeren.

Dit socio-culturele fenomeentje in Rusland houdt me nu al twee jaar bezig. Waarom per se met de lift? Het zou zo handig zijn om, in het kader van een beetje conditietraining, zo nu en dan de trap te nemen. Parken, waar je kunt rennen, zijn er immers amper. De straat is, ook als er geen sneeuw ligt, een permanente aanslag op de enkelbanden. Fietsen is onmogelijk door de beestachtigheid van de gemiddelde automobilist, die alles doet om gaten te ontwijken en daarbij passanten niet ontziet. En de kwaliteit en beschikbaarheid van sportfaciliteiten laten ook te wensen over. Om nog maar te zwijgen van de prijzen die er tegenwoordig voor drie kwartier zwemmen worden geëist: vierhonderd roebel in een geprivatiseerd bad (ofwel 5,7 procent van het maandsalaris), exclusief periodieke medische keuring op schimmels en andere gebreken.

Een jaar geleden ben ik begonnen met een empirisch onderzoekje naar dit vraagstuk. De steekproef voldoet nu bijna aan alle normen van Maurice de Hond. Mijn "N' is inmiddels meer dan honderd geworden. Elke keer als ik iemand de lift naar de tweede verdieping zie nemen, vraag ik hem of haar naar het waarom. Tot nu toe is slechts schouderophalen mijn deel geworden. Soms moet ik het doen met antwoorden als: “is sneller” (aantoonbaar onjuist), en “ja, daar vraagt u me wat” of zelfs “wat vind je eigenlijk van het leven in het algemeen?”

Dat laatste is een fraaie opmaat voor een gesprek over de laatste horoscoop, de sluipende “burgeroorlog”, de “oplichters” in en om het Kremlin die alleen “hun eigen bordjes hebben verhangen”, “Snickers” en ander geïmporteerd snoepgoed uit Venray, de noodzaak om “uit te rusten” (lees: we gaan 'm vanavond eens goed raken) dan wel “het gebrek aan cultuur” in het bijzonder. Maar ik ben niettemin geen steek verder gekomen. En toch heb ik het gevoel dat de kwestie van essentiële sociologische betekenis is. Door gebrek aan kwantitatieve gegevens zullen we het helaas moeten doen met een radicale hypothese. De crux van deze vooronderstelling luidt aldus: het leven in Rusland is zwaar en eenvoudig tegelijkertijd.

Het eerste deel van de hypothese behoeft geen toelichting. De onstuitbare ondergang van de volkshuishouding tegen het licht van de almaar groeiende rijkdom van een kleine schare landgenoten, de langzame teloorgang van de openbare dienstverlening én de publieke moraal alsmede het volledige gebrek aan politieke leiding, dat alles doet Rusland lijken op Italië in zijn zuidelijkste variant.

Het tweede deel van de hypothese is echter ingewikkelder. Het leven is simpel omdat Rusland in het hart van zijn burgers namelijk een verzorgingsstaat is. De erfenis van 75 jaar socialistisch bestuur? Ja, dat zeggen veel Russen maar al te graag in koor met de Angelsaksische pers. Maar wie het vraagstuk van de lift “diepgaand” (een populair Russisch woord) in ogenschouw durft te nemen, heeft het minder makkelijk. Die moet concluderen dat de verzorgingsstaat in Rusland een traditie heeft die verder teruggaat: en wel tot een eeuwenoude verhouding tussen overheid en onderdaan. “Rusland is geen staat en geen natie, Rusland is een gezin”, zoals de historicus Aleksej Nalepin (een slavofiel met humor) me niet lang geleden heeft uitgelegd. De horigheid die na 1917 is blijven bestaan, was in die zin de feodale voorloper op onze moderne verzorgingsstaat. Na de revolutie heeft deze maatschappelijke ordening zich weten te vermengen met het metafysische communistische mensbeeld. De huidige verzorgingsstaat in Rusland is er dus een zonder de ons bekende burgerlijke omgangsvormen. De Russen eisen geen dienstbaarheid van de overheid omdat ze er via de fiscus voor betalen (de essentie van de democratische calculerende burger) maar verlangen zorg uit quasi-religieuze motieven. De Russische staat is collectief gelegitimeerd conform Romeinen 13: "de overheid draagt het zwaard niet tevergeefs'.

Voordat daarover een protestants misverstand ontstaat: dat leidt hier niet tot deemoed jegens het hogere maar veeleer tot onverschilligheid. Die houding etaleert zich bij uitstek in de lift. Dat ding is in principe een verworvenheid dat van hogerhand is aangeboden. Tatjana de liftdispetsjer is de intermediair tussen hén en ons. Pas als het al te lang duurt, kun je als burger je eigen verantwoordelijkheid nemen. Zuchtend en steunend (“oj, oj, oj”, zeggen de vrouwen - “bljad”, schelden de mannen) neem je dan die 27 treden en hoop je op betere tijden van de voorzienigheid. Dat is geen luiheid, maar een uiting van de wetenschap dat het nog erger kan. Een stevige winter bijvoorbeeld. Die heeft Rusland nu al enige jaren niet meer gehad. En dat is geen toeval, dat is de voorzienigheid die in positieve zin heeft ingegrepen. In de woorden van Nikolaj Jerjomin, een technisch ingenieur uit een agrarische provincie in het gewest-Moskou die dank zij “het noodlot” nu eindelijk boer is geworden: “We hebben nu al jaren geen winter gehad omdat God weet dat de Russen dat in deze crisis niet nog meer zouden kunnen verdragen.”

Daarom is zo'n ordinaire wet dat een lift in een openbaar gebouw moet werken van nul en generlei waarde. Wetten laten de mens hoe dan ook onverschillig. In het zuiden omdat daar iedereen hoe dan ook zijn gang gaat, aldus Nikolaj Jerjomin. In het noorden, dat nooit onder de “Mongools-Tataarse horde” heeft geleden, omdat men daar al eeuwen wacht op betere tijden. Het enige dat telt, is het hogere: de ikoon. Met of zonder stropdas.