Koud

Het is zo koud in New York dat de verslaggevers van het televisienieuws de mensen op straat vragen hoe koud het is en wat ze daarvan vinden. Ze bevestigen dat het koud is en de een vindt het fijn en de ander hoopt dat het warm water zal gaan regenen. Wat op de televisie gebeurt moet altijd erger gebeuren dan in werkelijkheid en als je het eenmaal op de televisie is vertoond weet je dat het op die manier is gebeurd: namelijk erger. Dit bepaalt dan weer je ervaring op straat. Zo bevordert de televisie de voortgezette kwadratuur van alle toestanden. Bij ons gebeurde dat vroeger in de lente. Was die aangebroken dan drukten de kranten op de voorpagina de foto van het eerste lammetje af, en men wist: het harnas van de winter scheurt en barst, dan eerst nog even Gorter lezen, en dan zitten we alweer middenin de zoete zomer. Die poëzie komt nooit meer terug.

Ja, het is koud, dat valt niet tegen te spreken. Om ons daartegen te wapenen heeft de wollenmutsenindustrie een nieuw artikel op de markt gebracht: de kapersmuts. De eerste kapers van vliegtuigen, als men zich dat herinnert, trokken een bivakmuts of een kous over hun hoofd en zagen er daarmee vervaarlijk en onherkenbaar uit. Twee vliegen in één klap. De industrie heeft zich daardoor laten inspireren en een voorgebreide kapersmuts op de markt gebracht, niet eens in China gemaakt maar Made in the USA. In principe is het ook een soort kous met een grote diameter, maar dan voorzien van drie afgebiesde gaten voor mond en ogen. Hij reikt tot over het strottehoofd. De eerste die ik zag lag op een bank van een subway-trein te slapen. De subway is toch al niet de veiligste omgeving, hoewel veel minder gevaarlijk dan je weleens hoort, zodat het een schrikaanjagend gezicht was. De tweede zat op de fiets, de derde liep gewoon op de stoep en dat was voldoende om eraan gewend te zijn geraakt. Ik wilde er een hebben.

Ze zijn te koop in alle winkels die ook handelen in horloges van onder de tien dollar, zwemmende kikvorsen, paraplu's uit Taiwan en kleine flesjes met verjongende dranken. De muts kost drie dollar. Ik durfde hem niet meteen op te zetten; eerst thuis geoefend. De mevrouw die mijn kamer schoonmaakt kreeg een lachaanval, en met die ervaring achter de rug voelde ik me zeker genoeg om de straat op te gaan. Toch werd ik schuw aangekeken.

Omdat ik een theorie heb over het stadsbeeld bij helder vriesweer ging ik naar een plaats met een panoramisch overzicht: de oever van de Hudson, ongeveer tussen de tiende en de dertigste straat. Eerst loopt daar parallel aan de rivier West Street, een brede snelweg, en dan is er nog een ruime strook asfalt voor je aan het water of eventueel een van de pieren komt. De theorie behelst ongeveer dat de gemidddelde hoeveelheid waterdamp in de atmosfeer van invloed is op het volkskarakter. Het duidelijkst zien we dat in de schilderkunst. Onze schilders hebben een gevoileerde toets, zijn beroemd om hun wolkenluchten maar niet om hun horizonnen. Het surrealisme heeft in de Nederlandse schilderkunst geen vaste voet gekregen, althans, er is op dit gebied niets dat op een Nederlandse school lijkt. Het surrealisme is scherp en kent geen waterdamp. Maar de Belgen dan, zal men tegenwerpen. Mijn antwoord is dat de Belgen katholiek zijn. Godsdienst en klimaat zijn mèt elkaar bepalende factoren.

Van de Hudson gezien stond de stad erbij alsof ze met de naald was gegraveerd, en alweer moet ik zeggen: het was een goddelijk gezicht. Geen enkele bouwer daar heeft zich gestoord aan wat de ander deed, men heeft er gedaan wat de durf, het geld en wat men toevallig mooi vond voorschreven of mogelijk maakten. Deze vier factoren geven al zoveel varianten dat het geheel daarvan alles overtreft wat ooit is gebouwd. Ik onderschat niets: het Paleis op de Dam, de Akropolis, de Piramide van Cheops, de Aya Sophia, de Boroboedoer - maar New York is mooier. Ik verzadigde me aan steen.

Maar op een wintermiddag kan men zich op zo'n manier niet blijven verzadigen en bovendien werd ik me, al verzadigend, meer bewust van mijn muts. Iemand die met een kapersmuts op de hoek van de 23ste en West Street in het niets staat te kijken is verdacht. Dus lopen, downtown. Men moet zich voorstellen: pakhuizen, parkeerterreinen, hekwerk, een roestig viaduct, een motel waar een uurtarief geldt, een stroom van auto's en een brede stoep waarop vanwege de snijdende poolwind 1 wandelaar met een zwarte kapersmuts over zijn hoofd. Uw correspondent.

Terwijl ik daar liep dacht ik aan Erich Mühsam, en zijn gedicht: Der Revoluzzer. War einmal ein Revoluzzer, im Zivilstand Lampenputzer. Ging in Revoluzzertritt mit den Revoluzzern mit. Enzovoort.

Mühsam is een van de eersten die in Hitlers concentratiekamp is vermoord. Al wandelend in de mooie winterkou heb ik aan hem gedacht en dus misschien ook geëerd.