Kom vanavond met verhalen

Wie zal de toekomstige generaties leren wat er bij de Februaristaking op het spel stond indien de geschiedenis niet terugkeert als verplicht leervak voor de gehele bovenbouw van het voortgezet onderwijs? Als staatssecretaris Wallage volhardt in zijn plannen om de geschiedenis aan een groot deel van zijn nieuwe bovenschool (c.q. aan de medici, ingenieurs en economen van de toekomst) te onthouden wordt het tijd dat het Joods Historisch Museum, het Amsterdams Historisch Museum, het Riod en het IISG gezamenlijk de straat opgaan om de geschiedenis van het verzet verhalend uit te dragen.

Misschien is dat nog niet eens de slechtste oplossing. De historische vorming van de mens zou naar mijn mening meer gediend zijn met goede vertellers die de overlevering in ere herstellen dan met ondergewaardeerde docenten die de geschiedenis in afgeknepen uren als "profielvak' erbij moeten doen - de geestdriftige volhouders niet te na gesproken. Als we meer Chaim Potok zouden lezen, zou het afknijpen van de geschiedenis op school geen maatschappelijke schade hoeven aan te richten.

Per slot van rekening is ook Mari Andriessens monument van de Dokwerker, het centrum van de jaarlijkse herdenking van de Februaristaking, een produkt van de verhalende kunst. Dat beeld is laag voor laag uit verhalen opgebouwd. Richter Roegholt vertelt in zijn biografie van Ben Sijes hoeveel invloed de beeldhouwer Andriessen van de verteller Sijes heeft ondergaan. Ben Sijes was staker en historicus in één persoon, maar vooral een begenadigd verteller.

Hij verenigde tal van levens in zich, hij was achtereenvolgens geschoold arbeider, werd van lieverlee wetenschapper en liet een klein maar prachtig historisch oeuvre na. In het begin van de oorlog fietste hij elke morgen naar de fabriek (de constructiewerf Verschure in Amsterdam-Noord) waar hij laste en draaide en in de pauze zijn collega's trakteerde op zijn marxistische analyses van de toestand in de wereld. In februari '41 ging hij voor in het verzet tegen de jodenvervolging en was meer dan een figurant in het schouwspel dat hij jaren later in wetenschappelijke vorm en in een meeslepende verteltrant weer op papier tot leven zou wekken.

Sijes was een kleurrijke, gecompliceerde figuur, een interessante uitdaging voor een biograaf. Zijn grootste complicatie zat in zijn arbeidersverleden, waarin hij praktisch-solidair was met het proletariaat maar tegelijk met zijn hoofd in de boeken zat. Hij was in elk geval een arbeider die op twee gedachten hinkte. Hij had gestudeerd, hij was radencommunist (die niets op had met de CPN) en hij beschouwde de fabriek als de hogeschool voor de politiek. Na een jaar of tien kwam hij erachter dat de fabriek geen collegezaal was en ook communistische arbeiders weinig met theoretische verhandelingen op hadden, zelfs niet met marxistische theorieën.

Hij ontdekte dat “mensen tot politieke actie komen doordat ze uit de verhoudingen zelf in bepaalde (politieke) spanningen komen, en van daaruit hun opvattingen vormen”. Het was de les dat iemand alleen “in en door zijn ervaring” tot actie komt. Het kon dan ook geen verbazing wekken dat hij wetenschappelijk onderzoeker werd (Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie) en tenslotte als professor in de geschiedenis in Leiden eindigde.

Sijes' geschiedenis van de Februaristaking, die enkele jaren na de oorlog onder diezelfde naam verscheen, is het nauwkeurig gedocumenteerde verhaal van het communistische Amsterdamse proletariaat dat het wangedrag van de bezetter in de oude Jodenhoek van de hoofdstad niet langer nam en onverschrokken voor de joden demonstreerde. Roegholts empatische biografie vertelt - bij nog veel meer - het verhaal van dat verhaal: indringend maar sober, geheel in de stijl van Sijes. Het is een onderschat boek waarin veel over de werkwijze van de historicus Sijes wordt verteld en genoeg over de psychische dynamiek om hem ook als mens te leren kennen.

Roegholt geeft de mythe over Mari Andriessens Dokwerker het volle pond (“het vertrekpunt voor demonstraties tegen ieder onrecht, waar ook ter wereld”), maar heeft ook de ware ontstaansgeschiedenis van het monument vastgelegd. De verhalende historicus ofwel de verteller Sijes heeft daarin een cruciale rol gespeeld. Zonder de hulp van Sijes, en zonder diens visie op de gebeurtenissen van 25 februari 1941, zou de Dokwerker niet de Dokwerker zijn geworden (volgens Andriessens biograaf Louk Tilanus is het beeld voor het eerst in het Haarlems Dagblad als "dokwerker' aangeduid).

Sijes had een agressievere uitbeelding geprefereerd, een man die in zijn eer was aangetast en er dan ook bij staat met samengebalde woede in zijn blik. Volgens Sijes was dat de essentie van de Februaristaking - niet meer, maar ook niet minder. “Waar ter wereld is ooit een handelend proletariaat geweest, dat gemeenschappelijk een stuk ijzer heeft gepakt en gezegd heeft: "als je nou niet opdondert, dan zal ik je...' wanneer het om Joden ging”. Maar Andriessen maakte de Dokwerker niet agressief, wel alert, op zijn hoede en bereid handelend op te treden. “Het gebaar van de half open handen, de houding met één been vooruit en het lichaam iets achterover, drukken uit dat deze man op het punt staat iets aan te pakken” (Roegholt).

Mari Andriessen was de eerste om Sijes de eer van zijn verbeelding van de Februaristaking te geven: zonder hem had de van oorsprong rooms-katholieke Haarlemmer de geest van het arbeidersprotest tegen de bezetter niet kunnen verinnigen. Sijes, aldus Roegholt, “had hem drie dagen lang door de Jodenhoek rondgeleid, pratend, vertellend, wie in dit huis, wie in die ruïne had gewoond en niet was teruggekeerd. Het was alsof ieder huis, iedere lege plek begon te leven. Hij was onweerstaanbaar als hij zo aan het praten was. Andriessen liet er geen twijfel aan bestaan, dat deze dagen hem ten diepste hadden beïnvloed”.

Het ijzer dat Sijes in de Dokwerker wilde zien was het ijzer dat hij zelf ter hand had genomen om zijn eigen eerste verzetsdaad te stellen in de dagen die aan de Februaristaking vooraf gingen. In zijn boek spreekt hij met geen woord over zijn eigen rol, maar later is hij voor de radio één keer van die regel afgeweken. De eerste arbeiders bij de werf waar hij werkte hadden 's ochtends nog geprikt. Sijes zag een stuk ijzer liggen en sloeg de prikklok stuk, onder het motto: “Je weet maar nooit”. Op de stakingsdag zelf had hij geen ijzer gebruikt, maar het woord in de strijd geworpen. “'s Ochtends vroeg zag je overal bij tramhaltes arbeiders staan wachten. En ik maar praten: er moet gestaakt worden, er komen geen trams. Dat was voorbarig, want er reden nog wel trams uit. Maar die zijn toch tegengehouden en teruggedrukt door de kracht van de stakers”.