JOHN BAGOT GLUBB; Brit tussen de Bedoeïnen

Glubb Pasha. The Life and Times of Sir John Bagot Glubb door Trevor Royle 525 blz., geïll., Little & Brown 1992, f 65,50 ISBN 0 356 17679 7

De Engelsen hebben iets met Arabië. "De Arabieren', wie dat ook zijn mogen, worden door hen gezien als ingewijden in een mysterie waarvan de contouren zich aftekenen in de zinderende woestijn die grenst aan het mistige binnenland van de Britse volksziel. De essentie van het bestaan mag dan voor Britten besloten liggen in Eton & Cambridge en Fortnum & Mason, ze kan alleen tot volle bloei komen na een teug uit de graal die gevuld is met de raadsels van de Arabische wereld.

Ondertussen blijft het behelpen in het regenachtig Albion en daarom klampen de Britten zich sinds een eeuw of anderhalf vast aan erudiete, lichtelijk gederailleerde, min of meer geniale men (and women) of letters (and action) die zich ten minste twee, bij voorkeur twintig jaar of langer onder "de Arabieren' begeven, en vervolgens het wezen van land en volk in nog net begrijpelijk proza aan het thuisfront openbaren.

Het Arabische mysterie is natuurlijk weinig meer dan een kaartenhuis van fantasieën en projecties maar voorlopig wordt het in Engeland stevig gestut door de boeken van ondermeer Hester Stanhope (1780-1839), Richard Burton (1821-1890), William Palgrave (1826-1888), Charles Doughty (1843-1926), Gertrude Bell (1868-1926), Harry Philby (1885-1960), T. E. Lawrence (1888-1935) en Wilfred Thesiger (1910).

In deze reeks hoort zeker ook "de ongekroonde koning van Jordanië' John Bagot Glubb (1897-1986) thuis. Hij was misschien wel de grootste en in ieder geval de gewoonste van alle Anglo-Arabs. Zijn militaire loopbaan in het Midden-Oosten van 1920 tot 1956 kende een unieke combinatie van avontuur en bestendigheid. Van alle Engelsen die vloeiend Arabisch spraken en er gewoonte van maakten per kameel door de woestijn te galopperen, had Glubb verreweg het kalmste gemoed en het rustigste gezinsleven.

In wezen was hij systematisch en tamelijk saai; wat dat betreft zijn er interessantere hoofdpersonen voor een biografie. Maar met de geestelijke dispositie van een accountant stortte hij zich vrijwillig en bij voortduring tussen bedoeïnen, bij voorkeur in nauwelijks gekarteerd terrein, en vaak ongeëscorteerd.

Als commandant van de Jordaanse strijdkrachten stond hij in 1948 aan het hoofd van de enige legermacht die Israel ooit een militaire nederlaag toebracht. Acht jaar later was Glubb een paar dagen voorpaginanieuws toen Koning Hoessein van Jordanië hem begin maart 1956 abrupt ontsloeg. Trevor Royle, auteur van de onlangs verschenen uitmuntende biografie Glubb Pasha, trekt een directe lijn van deze gebeurtenis naar de Suez-crisis een half jaar later.

BESCHEIDEN TOON

Overigens heeft Glubb zijn eigen verhaal in alle details verteld: in totaal schreef hij tweeëntwintig boeken, merendeels na zijn ontslag, in alle rust op zijn buiten in Sussex. Enkele gaan op bescheiden toon over zijn eigen avonturen, daarnaast verschenen van zijn hand werken als The Great Arab Conquests (1963), The Lost Centuries 1145-1453 (1967), en The Life and Times of Muhammad (1970). Naast al het andere was hij ook nog eens geleerde.

John Glubb was de enige zoon van generaal-majoor Frederic Glubb, een Royal Engineers officier die in de Eerste Wereldoorlog hoofd van de genie van het Tweede Britse Leger was. De keus om, na een schooltijd met veel "prayer and teamgames', Royal Engineer te worden, was dus niet geheel toevallig. Zijn zuster Gwenda (1894-1990) was origineler: in 1921 bracht ze het 1000-mijl race-record per scooter voor vrouwen op haar naam en later zou ze in overdekte transportmiddelen een aantal spectaculaire baan-records vestigen, dit alles nadat ze zich in de Eerste Wereldoorlog had onderscheiden als ambulance-chauffeuse.

Ook John excelleerde in de Great War, in ieder geval door zijn moed en vastberadenheid. Dat de Engelsen alleen al op de eerste dag van de Slag aan de Somme, 1 juli 1916, 58.000 doden telden, weerhield Glubb niet van de vrees dat zijn compagnie een volgende aanval, kort daarop, zou moeten missen. Zijn zorgen bleken overbodig, hij mocht erbij zijn.

KIPPEBOT

Op 21 augustus 1917 kwam zijn compagnie weer eens onder Duits mortiervuur te liggen, maar, zoals Royle schrijft, ""Glubb weigerde dekking te zoeken, want al zijn mannen konden hem zien''. Niet lang daarna moest hij op een eerste-hulp post vaststellen ""dat er iets langwerpigs los tegen mijn linkerwang lag, alsof ik een kippebot in mijn mond had''. Het bleek een deel van zijn onderkaak, en voor revalidatie moest hij terug naar Engeland. De ernst van het letsel had als excuus kunnen dienen om daar te blijven, maar na herstel wilde Glubb met alle geweld terug naar het front. Hij arriveerde er in juli 1918, en moest vier maanden later in zijn dagboek noteren: ""Helaas, de oorlog is over, net nu het opwindend en prettig begon te worden.'' En in februari 1919: ""Alles wat me nu nog overkomt, kan alleen maar een anti-climax zijn.''

In dit licht wekt het nauwelijks verbazing dat Glubb ogenblikkelijk reageerde toen hij in 1920 vernam dat het War Office 350 officieren zocht om de woestijnstammen in zuidwest Mesopotamië te pacificeren; het vooruitzicht van een kazerne-carrière in het vaderland bezorgde hem al twee jaar nachtmerries. In september zette hij voet aan wal in Basra, nadat hij een telegram van zijn moeder, dat in Malta op hem lag te wachten en waarin ze hem smeekte terug te keren, had gelaten voor wat het was. (Achttien jaar later zou mevrouw Glubb daar blij om zijn: na de dood van haar man vertrok ze zelf naar het Midden-Oosten en woonde tot 1956 bij haar zoon in Amman.)

Glubb trouwde pas op zijn 41-ste, maar (of beter misschien: want) al op zijn 23-ste had hij zijn hart verloren aan de Arabieren, de bedoeïnen in het bijzonder. Hij sprak hun taal, sliep in hun tenten, dronk uit hun bronnen - maar bleef Brits officier. Bevelen van hogerhand en sympathie voor de woestijnbewoners streden vaak om voorrang. Toen stammen in het grensgebied met Saoedie Arabië in 1923 belasting moesten gaan betalen, en dat weigerden, bleek dat de kaarten van hun gebied niet gedetailleerd genoeg waren om de vergeldingsbombardementen verantwoord uit te voeren. Piloten van de Royal Air Force keerden onverrichter zake terug omdat ze vanuit de lucht niet konden vaststellen welke dorpen ze onder zich hadden. De oplossing was legerofficieren, onder wie Glubb, het terrein in te sturen om de ergste raddraaiers te identificeren en bestaande kaarten zo te annoteren dat de juiste dorpen getroffen konden worden.

Het kenmerkt Glubb dat hij de bedoeïnen, die hem met traditionele gastvrijheid ontvingen, precies vertelde waarvoor hij gekomen was, en dat hij een paar weken later toch zonder veel scrupules in een bommenwerper plaatsnam om de piloot te vertellen waar hij heen moest. Glubb liet zelf de bommen los. Hij was pas geschokt toen hij vernam dat er 144 doden waren gevallen. En dan weer die andere kant: hij aarzelde niet zich onpopulair te maken bij zijn meerderen door schriftelijk te verklaren dat hun belasting-heffing pertinent onjuist was geweest.

Het meest ironisch was misschien wel dat Glubbs rapport naar Londen werd doorgestuurd met de aantekening dat er zo min mogelijk ruchtbaarheid aan gegeven moest worden, terwijl de kwaliteit van zijn kaart er juist voor zorgde dat zijn naam positief opviel in hoge kringen.

HITTE, WOESTIJN, KAMELEN

In de jaren daarop boden eindeloze kleinschalige gevechten tussen de Iraakse bedoeïnen en de Ikhwan-strijders van koning Ibn Saoed aan Glubb alle gelegenheid zijn reputatie te consolideren. Als weinig andere allochtonen wist hij zich te handhaven in het romantische maar gevaarlijke mengsel van sympathieke ongeletterden, gefragmenteerde belangen, onnatuurlijke staatsgrenzen, hitte, woestijn, kamelen, en vooral heel veel wapens. Anderzijds noteerde een meerdere in een vertrouwelijk rapport over de 28-jarige Glubb dat die te emotioneel betrokken was geraakt bij de belangen van de plaatselijke bevolking, en dat zijn oordeel vaak door vriendschap met de bedoeïnen werd vertroebeld.

Behalve in 1956 heeft Glubb altijd geluk gehad met zijn carrière. Het einde van het Britse mandaat over Irak naderde toen in het aangrenzende mandaatgebied Transjordanië voor hem de post vrijkwam van plaatsvervangend commandant van het "Arab Legion', het inheemse leger aldaar - inheems natuurlijk met dien verstande dat Engelsen de top bemanden. Aan het hoofd stond Frederic Peake, die in 1917-1918 als bevelhebber van een Egyptisch "Camel Corps' de Arabische guerrilla-troepen van T. E. Lawrence een paar keer te hulp was gekomen.

Er lopen veel meer lijnen van Law-rence naar Glubb. Het legioen werd deels bemand door veteranen van Lawrence's strijd, Howeitat-be- doeïnen in het bijzonder. Bovendien waren Feisal en Abdullah Hoessein, de twee zonen van koning Hoessein van de Hedjaz, emir van respectievelijk Irak en Transjordanië geworden, nadat zij tezamen de Arabische opstand in de Eerste Wereldoorlog, met Lawrence in een bijrol, hadden geleid. Ten slotte schreef Glubb in de Encyclopedia Brittannica het lemma over Lawrence.

Vergelijkingen tussen Lawrence en Glubb zijn al vaak gemaakt, en Royle wijdt er ettelijke pagina's aan. Met instemming, lijkt het, citeert hij generaal Sir John Hackett (GCB, CBE, DSO, MC, D.Litt, MA, LID), die Glubb wel en Lawrence niet persoonlijk kende: ""Glubb was in hoge mate wat Lawrence geacht werd te zijn, en in feite niet was.''

Toen Glubb in 1939 het bevel kreeg over het Arab Legion bedroeg de sterkte 1290 man; toen Transjordanië in 1946 onafhankelijk werd, waren dat er 9000. Die groei was het resultaat van Glubbs talent om het legioen in hoog tempo uit te bouwen, en van de oorlog die kansen bood, vooral toen Irak zich in 1941 aan de zijde van de as-mogendheden schaarde. De Irakezen meenden even dat de tijd was gekomen om de Engelsen uit Transjordanië en Palestina, en de Fransen uit Syrië te verdrijven.

Voordat het zover kwam, grepen de Engelsen de macht in Irak die ze negen jaar eerder uit handen hadden gegeven. Daarbij werden ze gesteund door bedoeïnen van Glubbs legioen die onder meer geheime operaties uitvoerden aan de Iraakse westflank. Bij dit alles had Glubb overigens geen plaats in de Britse militaire hiërarchie: in het naar onafhankelijkheid groeiende Transjordanië was hij majoor, in de Britse strijdkrachten was hij slechts oud-kapitein.

PROBLEMEN

Het was dit naar Arabische maatstaven sterke en goed getrainde leger, dat Israel in de eerste dagen van haar bestaan de grootste problemen bezorgde: een gebied ter grootte van Gelderland werd in mei 1948 onder Glubbs leiding onttrokken aan het ex-mandaatgebied Palestina, en toegevoegd aan Transjordanië. Trans was niet meer van toepassing, en anderhalf jaar later, na de wapenstilstand, werd Jordanië de nieuwe naam.

Bij koning Abdullah kon Glubb weinig meer fout doen, maar het staatshoofd werd in 1951 bij het verlaten van een moskee vermoord. In 1953 werd Abdullahs achttien-jarige kleinzoon Hoessein gekroond, die drie jaar later wilde laten zien, aan Nasser vooral, hoe goed hij de restanten van de Britse invloed in zijn land kon missen: de allochtone opperbevelhebber van 's konings strijdkrachten kon gaan - nadat hij op 15 februari 1956 door een Egyptisch radiostation was gebrandmerkt als ""het symbool van het imperialisme in de Arabische wereld'', en een dag later als ""geheim agent van het zionistische imperialisme'' (hij zou in 1948 niet ver genoeg zijn gegaan).

Het nieuws werd Glubb op 1 maart gebracht door minister-president Sameer. In A Soldier with the Arabs (1957) schreef hij dat Sameer wees op de mogelijkheid dat de maatregel slechts tijdelijk was: ""Ik ben verschillende keren minister-president geweest, weggestuurd, en nu ben ik weer terug.''

""Dat kan misschien met politici,'' antwoordde Glubb met een glimlach, ""maar niet met mij.''