Iran: een schip in de storm met vele kapiteins; De Iraanse politiek is even chaotisch als het verkeer in Teheran; Een Sterke Man moet de technocraten en mullahs verzoenen

In Iran is de tegenstelling aan de macht. Wie de retoriek van de Islamitische Republiek gelooft, ziet alleen een hecht ideologisch blok, waarin hoogstens sprake is van minimale tactische meningsverschillen tussen "vleugels'. Maar wie niet gelooft dat Iran een rechte koers vaart, maakt zich daarmee tot vijand van de islam. “Gods wegen zijn ondoorgrondelijk”, zegt een voormalig dissident.

TEHERAN, 27 FEBR. Darius zat al heel lang zonder vorm van proces gevangen, omdat hij - “stom”, zegt hij nu - een overtuigde communist was en imam Khomeiny van de ene op de andere dag besloot dat de Islamitische Revolutie niet langer de Tudeh-partij, de goddeloze communisten van Iran, kon tolereren.

Toen kwam de dag dat de deur van zijn cel werd geopend en er twee mannen voor hem stonden: de directeur van de gevangenis en een mollah. De directeur deelde hem mee dat hij wegens goed gedrag in aanmerking kwam in vrijheid te worden gesteld. De mollah vertelde hem dat hij wegens zijn strijd tegen God ter dood zou worden gebracht. Daarna verlieten zij gezamenlijk de cel.

Beide uitspraken werden niet bewaarheid. Darius bleef gevangen en maakte nog geruime tijd mee wat een politieke gevangene in Iran alzo kan meemaken. Maar hij werd ook niet ter dood gebracht, zoals zo velen van zijn kameraden, omdat hem pas aan het einde van een dag van ondervragingen gevraagd werd: “Ben je moslim?” Toen was hij al wijs genoeg geworden om nadrukkelijk "ja' te zeggen. Zijn kameraden die eerder uit ideologische overwegingen "nee' hadden gezegd, hadden een teken op hun arm gekregen. Enkele uren later werd iedereen met dat teken op de binnenplaats van de gevangenis geëxecuteerd.

Hij beseft nu dat hetgeen er met zijn kameraden gebeurde, logisch is in een Islamitische Republiek die de shari'a, Gods wetgeving, wil toepassen. Voor renegaten die hun afvalligheid van de islam belijden, past slechts één straf - de dood. Hij denkt dat de tegenstrijdigheden van die onvergetelijke dag geen uiting waren van sadisme, maar van een klein, doch oprecht meningsverschil tussen twee functionarissen van de Islamitische Republiek - beiden dienaren van de Revolutie en beiden handelend uit overtuiging. Maar hij weet tot op heden niet wie van de twee uiteindelijk meer macht had. Hij begrijpt trouwens heel veel niet. Maar hij heeft zijn les geleerd. “Gods wegen en die van de Islamitische Revolutie zijn ondoorgrondelijk”, zegt hij nu.

Wat Darius in zijn cel overkwam, maken velen mee - hoewel niet altijd in zo'n extreme vorm. De buitenlandse journalisten bijvoorbeeld, die begin deze maand door de Iraanse regering waren uitgenodigd om de eerste persconferentie sinds lange tijd van president Rafsanjani, het hoofd van de regering, te verslaan. De president verzocht hun zich persoonlijk op de hoogte te stellen van de voortreffelijke omstandigheden in de gevangenissen. Toen enkele journalisten die uitnodiging onmiddellijk accepteerden en de aanwezige functionarissen van het Ministerie van Islamitische Leiding benaderden - het ministerie van voorlichting en propaganda, dat als enige bevoegd is zulke bezoeken te regelen - werden zij van de ene naar de andere onbereikbare persoon gestuurd. De gevraagde vergunning werd nooit gegeven, het bezoek had nimmer plaats.

Nog geen twee weken later vierde de Islamitische Republiek de veertiende verjaardag van haar zegevierende Revolutie. Een week voor de viering had Rafsanjani, die in Teheran als prediker voor het openbare vrijdaggebed was ingevallen, de gelovigen dringend verzocht om op die dag in groten getale te verschijnen teneinde de laster te logenstraffen dat het Iraanse volk teleurgesteld zou zijn over zijn Revolutie. “Uw aanwezigheid op de 22ste Bahman (11 februari) kan even effectief zijn als duizend atoombommen tegen onze vijanden (...). De beelden van massale demonstraties met moeders die baby's in hun armen houden, en met mannen die hun kinderen op de schouders hebben, zullen onze vijanden teleurstellen en verbitteren.”

Inderdaad kwamen de elfde februari een paar miljoen mensen naar de demonstratie op het Azadi-plein in Teheran - meer dan zelfs de hoogste functionarissen hadden verwacht. Zij waren per bus uit de provincie aangevoerd, maar velen kwamen ook uit eigen beweging om de verjaardag van "hun' Revolutie te vieren. Het was een propagandistische triomf van de eerste orde, waarbij Rafsanjani dan ook in zijn rede lang bleef stilstaan. In gloedvolle bewoordingen verzocht hij de aanwezige journalisten de betekenis van deze massale opkomst af te wegen. “Voor één keer: noteer het, denk, analyseer en zeg wat er gebeurt in Iran (...).” Maar journalisten van de belangrijkste media uit de Verenigde Staten en Groot-Brittannië konden het niet noteren; zij waren van het plein weggestuurd omdat zij geen vergunning van het ministerie van Islamitische Leiding hadden de demonstratie bij te wonen.

Het politieke en maatschappelijke leven in de Islamitische Republiek is als het verkeer in Teheran. De rijen auto's zwenken soepel van links naar rechts en terug, met slechts hier en daar een aanrijding. Wie, rechts rijdend, opeens scherp links wil afslaan en de gelijk optrekkende, twee tot drie rijen auto's naast hem de pas afsnijdt, doet niets ongewoons. Als dan op precies hetzelfde moment een links rijdende auto van opzij of van de andere kant scherp naar rechts probeert af te buigen, komt iedereen gedwongen tot stilstand. Intussen kijkt de politie hulpeloos toe hoe de verkeersopstopping steeds groter wordt. Onveranderlijk neemt na geruime tijd een groepje autobestuurders zelf het heft in handen. Zij stappen uit hun wagens en proberen, al dirigerend en schreeuwend, een eind te maken aan de impasse.

Op letterlijk elk gebied volgt de Islamitische Republiek publiekelijk en officieel een scherp gedefinieerde éénrichtingsweg. Maar daarnaast volgt zij allerlei parallelle en sluipwegen. De oppervlakkige buitenstaander uit het Westen die de retoriek voor zoete koek neemt, ziet de Iraanse samenleving als een eenvormige en eenduidige dictatuur. Maar dat is allemaal bedriegelijke schijn. “Wij zwabberen als een schip op ruwe zee heen en weer - met aan boord verschillende kapiteins, die elk een verschillende koers aangeven. Dus weet niemand van ons waar wij belanden”, zegt een Iraanse journalist. Hij kan het weten; hij werkt voor een belangrijke krant die de ideeën van ayatollah Khamenei uitdraagt.

Toch brengt niets de dienaren en volgelingen van de Islamitische Revolutie tot grotere woede dan wanneer men vraagtekens plaatst achter hun eensgezindheid. Een buitenstaander die over mogelijke machtsconflicten rept, of zelfs maar over verschillende facties of partijen, wordt onmiddellijk geplaatst in de rijen van hen die de islam, en daarmee de Islamitische Revolutie, vijandig gezind zijn.

Onlangs viel de Tehran Times, die Rafsanjani's ideeën volgt, in een hoofdartikel fel uit naar de “pathologische gewoonte” van een aantal niet nader genoemde, doch “aan conflict verslaafde delen van de pers, die kleine verschillen in benadering als onverzoenlijke conflicten voorstellen”.

Het hoofdartikel onderstreepte, zoals ieder officieel persoon in Iran, dat ayatollah Khamenei, de Leider van de Islamitische Revolutie, herhaaldelijk zijn vertrouwen in de regering heeft uitgesproken, terwijl president Rafsanjani veelvuldig heeft herhaald dat de grote lijnen van de politiek door de Leider worden bepaald. De regering, aldus het hoofdartikel, is alleen verantwoordelijk voor de uitvoering van die politiek, en het parlement moet waken over de juiste uitvoering van de beslissingen van de Leider. “De perverse gewoonte” van bepaalde journalisten om de zaken anders af te schilderen en de leden van het overheidssysteem in elkaar bestrijdende facties te verdelen, “kan uitsluitend leiden tot verval van 's lands opbouwmogelijkheden”.

De Islamitische Republiek wil zichzelf zien als een hecht ideologisch blok, waarin hoogstens sprake is van minimale tactische meningsverschillen tussen "vleugels'. Maar de nadruk, waarmee men elke keer opnieuw een wat grotere diversiteit uitsluit, wijst juist op het tegendeel. Precies als in het verkeer doen velen wat hun goed dunkt of gaan zij zelfs tegen de richting in.

Zo speelt het Bureau van Islamitische Propaganda een zeer belangrijke rol bij het uitdragen van de Revolutie - binnen en buiten Iran. Het is het troetelkind van de autoriteiten. Het ministerie van Islamitische Leiding vond het dan ook zinvol dat ik daar op bezoek ging. De afspraak was snel gemaakt: morgenochtend om acht uur.

Bij het betreden van het gebouw werd mijn begeleidster door vrouwelijke bewakers nauwkeurig gefouilleerd. Zij droeg de hejab (de door de islam voorgeschreven kleding voor vrouwen), maar ze werd niettemin ook nog eens verzocht een chador om te slaan, de lange, meestal zwarte, alles verhullende doek. Anders zou zij niet naar binnen kunnen. Wij moesten wachten; niemand wist wanneer de man die wij zouden ontmoeten, zou komen. Intussen stroomden de medewerkers binnen, onder wie veel geestelijken. De "burgers' gebruikten een prikklok, de geestelijken niet. Na meer dan een uur wachten en enig aandringen kregen wij te horen dat de man die ons te woord zou staan, naar Tabriz (vele honderden kilometers verder) was vertrokken en dat de tolk, die de afspraak had gemaakt, niet was komen opdagen.

Op het ministerie van Islamitische Leiding deed men zeer verontwaardigd. De chador bovenop de hejab - zo kregen wij te horen - was onrechtmatig en de hele behandeling schandelijk. Er zou onmiddellijk worden geklaagd; de brief was al bijna klaar.

Een dag later werd op de visa-afdeling van het ministerie van binnenlandse zaken de pasfoto-zonder-hejab van mijn begeleidster goedgekeurd door een kolonel van de politie, en vervolgens afgekeurd door zijn collega met dezelfde rang in de kamer daarnaast. Zij moest nieuwe pasfoto's laten maken - met hejab. Anderhalf jaar tevoren waren soortgelijke pasfoto's op hetzelfde kantoor goedgekeurd, nadat een dame in een belendende kamer ze met viltstift vervolmaakt had met een hejab.

De tegenstrijdige signalen van overheidswege zijn duizendvoudig. Dat komt omdat er geen duidelijke leiding is. Officieel is ayatollah Khamenei de Leider die alles voor het zeggen heeft, en zijn de overigen zijn uitvoerders. In werkelijkheid is er sprake van een collectief leiderschap van een aantal geestelijken. Zij zijn permanent met elkaar in discussie en zijn het even permanent eens over de hoofdzaken, doch tegelijkertijd altijd een iets andere mening toegedaan over de uitvoering ervan. Tijdens hun jarenlange opleiding leerden zij theologische problemen, al filosoferend, via eindeloze discussies te behandelen. Nu zij 's lands meesters zijn geworden, is hun regeerstijl niet anders.

Dus worden er op het politieke en het economische vlak geen eenduidige beslissingen genomen. Als Rafsanjani de economie wil liberaliseren en de betrekkingen met het Westen probeert te verbeteren, is er altijd een sterke factie binnen de ulama (de geestelijkheid), thans onder leiding van ayatollah Khamenei, die hem - in naam van de zuiverheid van de Islamitische Revolutie - de voet dwars zet. Westerse waarnemers noemen dat verschijnsel "machtsstrijd'. Maar waarschijnlijk is het voortdurende heen-en-weer-dobberen van de Iraanse politiek het gevolg van een nimmer eindigende richtingen-strijd.

Het is één van de redenen waarom - zowel binnen als buiten de ulama - de roep om een Sterke Man in Iran steeds luider wordt. Iemand die - wat de anderen ook mogen zeggen - definitief knopen kan doorhakken om de op de theorie gebaseerde eisen van de mullahs en de op de praktijk afgestemde ideeën van de technocraten met elkaar te verzoenen. Zolang dat niet gebeurt, zal Iran de uitdagingen van de moderne tijd niet aankunnen.

Ayatollah Ali Khamenei maakt zich op die rol van Sterke Man over enkele jaren te vervullen. Dat kan hij nu nog niet, omdat hij slechts één van de vele duizenden ayatollahs van Iran is - men schat hun aantal op 70.000, de bevolking van een kleine stad. Dus moet hij vooralsnog aandachtig luisteren naar wat de overwegend zeer conservatieve ulama wenst. Pas als hij tot Groot- Ayatollah wordt bevorderd, heeft hij de noodzakelijke super-status om de Islamitische Republiek definitief op koers te krijgen en - indien nodig - een andere weg te laten inslaan dan die van imam Khomeiny. Maar niemand weet of voldoende belangrijke figuren binnen de ulama bereid zijn hem in dat streven te volgen.

Tot die tijd zal Iran gedoemd zijn voortdurend officieel dezelfde mening te verkondigen, maar in werkelijkheid voortdurend van koers, en daarmee van mening te veranderen. Dit artikel is het derde in een serie over Iran. Het eerste verscheen op 15 februari; het tweede 23 februari.