"FIDEL VERMOORDDE ZIJN EIGEN REVOLUTIE'; Andres Oppenheimer over het einde van de Cubaanse idealen

Castro's Final Hour. The Secret Story behind the Coming Downfall of Communist Cuba door Andres Oppenheimer 480 blz., Simon & Schuster 1992, f 55,50 ISBN 0671 728 733

Andres Oppenheimer is journalist van de The Miami Herald en geldt als gezaghebbend correspondent voor Latijns Amerika. Enige tijd geleden kreeg hij tot zijn eigen verrassing niet alleen een visum voor Cuba maar kon ook zonder veel hinder van de autoriteiten lange tijd op het eiland rondkijken. Het resultaat mag er zijn. Castro's Final Hour is een mooi geschreven, intelligent en levendig verslag uit het Cuba van na 1989, dus na de val van de Berlijnse Muur. De lezer van zijn boek krijgt een scherp maar deprimerend beeld van een land waar de ooit veelbelovende politieke en sociale revolutie nu het grootste struikelblok lijkt voor welke verandering dan ook.

In tegenstelling tot veel van zijn collegae heeft Andres Oppenheimer geen literaire pretenties. ""Ik wil niets anders zijn dan de beste investigative reporter in Latijns Amerika', zegt de 41-jarige correspondent van Argentijnse afkomst tijdens onze ontmoeting in zijn huis in Coral Gables. Oppenheimer verliet zijn geboorteland in 1976 nadat de generaals de macht daar hadden overgenomen. Via een studie journalistiek aan Columbia University en een vijfjarige carrière als nachtredacteur bij het persbureau Associated Press in New York kwam hij bij zijn huidige werkgever terecht. Sinds 1986 is hij senior correspondent voor Latijns Amerika van de krant die een grote invloed heeft op dat continent, en een snel groeiende reputatie in de journalistieke wereld. De berichtgeving over het Iran-Contraschandaal, waaraan ook Oppenheimer bijdroeg, leverde The Miami Herald in 1987 een Pullitzer-prijs op.

Oppenheimer bezocht Cuba voor het eerst in 1986, toen hij een maand op het eiland verbleef, en tussen 1989 en 1992 nog vijf keer. Voor het schrijven van zijn boek kreeg hij 100.000 dollar voorschot van uitgeverij Simon & Schuster. Castro's Final Hour is nu aan zijn vierde druk toe, een ongekend feit in de Verenigde Staten voor een boek over Latijns Amerika.

Bij het onderzoek voor zijn boek heeft Oppenheimer dankbaar gebruik gemaakt van het feit dat betrokkenen, zoals het hoofd van de afdeling Latijns Amerika van het Kremlin, Joeri Pavlov, maar ook leden van het Cubaanse politburo zich inmiddels vrij voelen om te spreken. Ook over de Cubaanse betrokkenheid bij de Sandinistische revolutie in Nicaragua en bij de nadagen van de Panamese dicator Manuel Noriega. De rol van Cuba op het internationale toneel is volgens Oppenheimer nu voorbij: ""Ik geloof niet dat Cuba nog enige rol speelt bij de overgebleven guerrillabewegingen in Latijns Amerika. Hooguit komen er nog guerrilleros voor rust en recreatie naar Havana.'

UITGEBLUST

De grote kracht van Castro's Final Hour ligt evenwel in de gesprekken met Cubanen over het dagelijks leven op het eiland. Bij de jonge generatie blijkt een groeiende irritatie jegens de erfenis van de ""revolutie van opa's', zoals Oppenheimer optekende. Vooral zijn gesprekken met de zeer kritische nazaten van de revolutionaire held Ernesto "Che' Guevara en met Castro's dochter Alina geven de indruk dat het vuur van de Cubaanse revolutie uitgeblust is.

De Cubaanse leiders moeten zich bewust zijn geweest van het risico dat Oppenheimer kritisch zou zijn. ""Ik zei dat ik een objectief boek zou gaan schrijven,' betoogt hij terugblikkend, ""Ik ging natuurlijk niet een sympathiek werk schrijven over een president voor het leven. Maar als ik had gezien dat er veranderingen gaande waren, dan zou ik die hebben gemeld.'

Die veranderingen leken in de lucht te zitten toen eind 1989, begin 1990 de communistische regimes in Oost-Europa instortten en ook op Cuba werd gesproken over hervormingen. ""De kaders dachten blijkbaar oprecht dat er een soort politieke en economische opening zou komen op hun Vierde Congres in 1990. Ze dachten ook dat het handig zou zijn als ik die veranderingen zou weergeven in een boek dat vlak voor de Amerikaanse presidentsverkiezingen zou uitkomen. De timing van mijn visumaanvraag was dus erg fortuinlijk,' herinnert Oppenheimer zich.

Maar wat er gebeurde in 1990 was het tegendeel van een ommezwaai. ""Tot 1991 werd de Cubaanse revolutie gesteund door een kritische massa van de bevolking. Het was niet per se een meerderheid, maar er was ontegenzeglijk brede steun. Na het wegvallen van de Sovjet-subsidies en dus de snelle achteruitgang van de twee peilers van de revolutie, gezondheidszorg en onderwijs, eiste diezelfde massa veranderingen. Maar Fidel draaide alle initiatieven de nek om en sloeg de weg in van resistir, resistir, Socialismo o Muerte (verzet, verzet, socialisme of de dood). Op dat moment vermoordde Fidel zijn eigen revolutie. Vandaag de dag heeft hij nauwelijks nog aanhang.'

PROSTITUEES EN BEDELAARS

Dat nu in Cuba, ruim 35 jaar na de omverwerping van het corrupte Batista-regime, prostituees en bedelaars opnieuw deel uitmaken van het straatbeeld is al in vele krantekolommen gemeld. Ook de schaarste aan primaire levensbehoeften, medicijnen en benzine is alom bekend, net als de aanwas van het luxueuze westerse "apartheidstoerisme'. Wat Oppenheimer daar in zijn boek aan toevoegt, is het Cuba dat pas zichtbaar wordt na langdurige observatie. Een samenleving waar de babalao's, de santerá-priesters, steeds meer invloed krijgen. Een samenleving met gedesillusioneerde zonen en dochters van de revolutie, en kleinkinderen van de opstand die al helemaal geen boodschap hebben aan wat in hun ogen prehistorie is.

""Het zijn vooral jongeren van zeventien, achttien jaar van wie er elk jaar zo'n drieduizend naar Florida proberen te ontkomen. De generatiekloof in Cuba is gigantisch. Castro wordt gezien als iemand die in zijn tijd wellicht goede dingen heeft gedaan, maar die nu een wandelend monument is.' Zo is Canek Sanchez Guevara, de kleinzoon van Che Guevara nu muzikant in een heavy metal groep. In het boek steekt hij zijn cynisme niet onder stoelen of banken: ""De revolutie werd gewonnen door mensen die baarden en paarde-staarten droegen. Nu worden langharige tieners door de politie aangehouden en in de cel gestopt.'

Uit Castro's Final Hour wordt ook weer duidelijk hoe groot de invloed van de, veelal uiterst rechtse, Cubaanse ballingen in Miami op de regering-Bush is geweest. ""Ik vermoed overigens dat die invloed op Clinton veel minder zal zijn', stelt Oppenheimer, maar hij wijst ook op het geval van de Newyorkse advocaat Mario Baeza wiens kandidatuur voor het staatssecretariaat Latijns Amerika is tegengehouden door de ballingen die Baeza te soft voor Castro zouden vinden.

De vrees van vele "eiland-Cubanen' voor de eventuele terugkeer van de ballingen is volgens Oppenheimer wel degelijk gerechtvaardigd: ""Er speelt de kwestie van de eigendomsrechten van hun bezittingen, maar er speelt ook racisme. De meeste Miami-Cubanen zijn blank. Het eiland is de afgelopen decennia aanzienlijk zwarter geworden. Een zwarte Cubaan zei tegen me: "Wat hebben we eraan om ons te ontdoen van een communistische blanke elite om er een kapitalistische blanke elite voor terug te krijgen? Uiteindelijk wordt je door allebei genaaid'. De zwarte Cubanen zullen zich niet doodvechten tegen Castro.'

MARQUEZ

Eén van Oppenheimers bronnen was Gabriel Garcá Márquez, die zeer goed bevriend is met Fidel Castro. De Colombiaanse schrijver en Nobelprijswinnaar geniet een aantal privileges in Cuba, waaronder een villa met bedienden en een Mercedes-Benz die permanent voor hem klaar staan. Oppenheimer omschrijft Garcá in zijn boek als behept met ""een ego ter grootte van diens talent' (een zinsnede die hij in de Spaanse vertaling en de Engelse paperback-editie vervangen heeft door ""bijna ter grootte van diens talent').

""Garcá Marquez ziet zichzelf als een "Caraïbisch' persoon,' zegt Oppenheimer, ""Ik denk dat hij niet veel opheeft met de politiek van Castro. Hij is niet dom genoeg om fellow traveller te zijn. Hij is wèl een zeer loyale vriend van Castro en wil hem in zijn uur van nood niet in de steek laten, maar helpen een uitweg te zoeken uit de problemen. Garcá Marquez speelt een grotere rol in de Latijns-Amerikaanse politiek dan menigeen weet. Hij is misschien de enige die binnen twee minuten willekeurig welke Latijns-Amerikaanse president aan de telefoon kan krijgen. En hij aarzelt niet dat ook te doen.'

Oppenheimer wil met nadruk gezegd hebben dat hij niet naar Cuba ging om Castro eens flink de oren te wassen. ""Ik was destijds als iedere andere linkse jongere in de ban van de Cubaanse revolutie. Ik had ook een Che Guevara-poster in mijn jongenskamertje. Toen ik begon te schrijven, dacht ik nog dat mijn boek een open einde zou krijgen. Dat ik op z'n slechtst zou moeten afsluiten met een vraagteken.'

Wat hij zag, maakte hem evenwel somber. ""Het wachten is op de val van Castro. Dat kan nog jaren duren, maar ook nog maanden.' Voor een redding op het laatste moment van de revolutie ziet Oppenheimer geen mogelijkheden meer. ""Nee. Wij journalisten hebben één van de grootste vergissingen gemaakt toen we de val van het Sovjet-blok niet tijdig voorspelden, omdat we steeds naar het balkon van het Kremlin keken. We keken niet naar de mensen beneden op het plein. Dat heb ik in Cuba nu wel gedaan. De veranderingen op de plaza zijn enorm. Zelfs nog maar drie jaar geleden zou je van de gewone man niet hebben gehoord wat je nu wel hoort. Dat was ondenkbaar. Er is een duidelijk en algemeen ongenoegen. En er is geen enkel tegenwicht, want alle economische trends zijn slecht. Maar zelfs als er nog een wonder zou gebeuren: de mystiek van de revolutie is verdwenen.'