EEN PLEIDOOI VOOR VERWAARLOZING VAN BAJESKLANTEN

De ideale gevangenis door Koos van Weringh 70 blz., Bas Lubberhuizen 1993, f 19,50 ISBN 90 73978 09 2

De tegenwoordig in Moskou woonachtige voormalige Amsterdamse criminoloog Koos van Weringh typeert de gevangenis in De ideale gevangenis als ""een organisatie van dilemma's'. Daarmee doelt hij op de vaststelling dat door gevangenisstraf de criminaliteit niet wordt teruggedrongen noch recidive wordt voorkomen, maar ondertussen opsluiting toch nodig blijft al was het maar uit oogpunt van vergelding.

In zijn boekje probeert Van Weringh de vraag te beantwoorden wat de meest geschikte vorm van gevangenhouding is in een democratische rechtsstaat. Aanleiding voor De ideale gevangenis is de sinds enige tijd periodiek terugkerende discussie binnen en buiten het parlement over cellentekort en ontsnappingen. Deze debatten draaien voortdurend rond in een cirkel van de roep om bunkergevangenissen tegen helicopterontsnappingen, naar het plaatsen van twee gevangenen op één cel, en weer terug. Wat dat betreft, is Van Weringhs bijdrage verfrissend omdat hij, zoals vaker in het verleden, ook principiële kwesties aanroert die doorgaans blijven liggen.

Ooit was Van Weringh werkzaam op het criminologisch instituut Bonger van de Amsterdamse Universiteit en na het verschijnen in 1990 van het proefschrift Twee eeuwen gevangen van zijn collega aldaar Herman Franke achtte hij de tijd rijp voor een nieuwe ronde in het debat over de gevangenisstraf. Franke, zo betoogt Van Weringh, heeft in zijn standaardwerk genoegzaam aangetoond dat er niet of nauwelijks verband bestaat tussen (de lengte van de) strafmaat en misdrijf. Kortom: zwaardere straffen helpen niet bij de bestrijding van criminaliteit. Maar wat dan wel?

Van Weringh laat er geen twijfel over bestaan dat de ideale gevangenis niet bestaat: ""De ideale gevangenis is natuurlijk die waar de gedetineerde door zijn maten met een helicopter van de luchtplaats wordt afgehaald. Niet alleen komt er dan een cel vrij, justitie hoeft ook niet voor de reiskosten op te draaien.' Na die constatering laat hij in beknopt bestek eerst de penitentiaire uitgangspunten van het departement van justitie in pakweg de afgelopen twintig tot dertig jaar de revue passeren.

EIGEN WERELDJE

Daar is de Beginselenwet Gevangeniswezen uit 1951, een soort Grondwet voor bajesklanten, waarin wordt gesteld dat gevangenisstraf ""mede dienstbaar moet zijn aan de voorbereiding van de terugkeer van de gedetineerden in het maatschappelijk leven'. Uit zijn boek wordt duidelijk dat Van Weringh dit uitgangspunt deelt met Justitie, maar dat alles wat na 1951 door ambtenaren in nota's over het gevangeniswezen is opgeschreven hem niet kan bekoren. Vooral sinds het verschijnen van de nog altijd ""geldende' nota "Taak en toekomst van het gevangeniswezen' uit 1982 staat voor Van Weringh vast dat van de justitiële bureaucratie weinig heil te verwachten valt: ""De beleidsontwikkelaars leven in een eigen wereldje, met hun eigen gewoonten, hun eigen afkortingen en hun eigen taalgebruik, dat steeds ontoegankelijker wordt.'

Bovendien meent Van Weringh, en dat schreef hij tien jaar geleden ook al, dat ambtenaren ""de ernst van het gevangen gezet worden aan het oog onttrekken door dichte nevels van welzijnsideologie'. Het is geen heksentoer om van justitiële beleidsterminologie als ""detentiefaseringstrajecten', ""extramurale executieprojecten', en ""differentiatiemodiliteiten' gehakt te maken en dat doet Van Weringh dan ook met smaak.

Maar alle kritiek op wat er tot nu toe tot stand gekomen is in het gevangeniswezen leidt in De ideale gevangenis niet tot de conclusie dat de gevangenis radicaal moet worden afgeschaft. Van Weringh is realist genoeg om te aanvaarden dat huizen van bewaring en andere gesloten inrichtingen niet weg gedacht kunnen worden uit de maatschappij. De gevangenis dient volgens hem niet het vaak in justitiële kring gehoorde doel van afschrikking (""algemene preventie') maar alleen van vergelding. Mensen moeten boeten voor wat zij anderen aandoen.

Met zijn pleidooi voor vergelding keert Van Weringh zich rechtstreeks tegen de mensen die gevangenisstraf geheel wensen af te schaffen. Volgens die abolitionisten is vergelding een begrip dat tot het verleden behoort, schrijft Van Weringh. En dat is ook zo, sneert hij, net als de geschriften waarin zij hun standpunten verdedigen.

AVERSIE

Zoals het een schotschrift betaamt, want dat is De ideale gevangenis, komt Van Weringh met voorstellen tot verbetering en die komen minder goed uit de verf dan de kritiek op ambtenaren, politici, reclassering en welzijnswerkers. Zo bepleit Van Weringh bijvoorbeeld wel erg gemakkelijk om de korte gevangenisstraf af te schaffen, en om langere straffen niet langer te laten duren dan vijf jaar. Al even nonchalant veegt hij de vloer aan met het beleid ten aanzien van de zogeheten "zelfmelders', mensen die op enige tijd dat het hun schikt part-time een celstraf mogen uitzitten (bijvoorbeeld omdat zij een boete niet betaald hebben).

Het kernpunt van Van Weringhs betoog vloeit voort uit zijn aversie tegen ""welzijnswerkersideologie'. Zonder het met zoveel woorden te schrijven, pleit hij voor de radicale afschaffing van alle professionele bemoeienis met gedetineerden. ""De gedachte dat mensen van achttien jaar en ouder nog te resocialiseren zouden zijn, lijkt mij niet alleen aan de optimistische kant, maar ook tamelijk zwakzinnig,' schrijft Van Weringh en hij pleit derhalve voor een beleid van ""heilzame verwaarlozing'.

In plaats van heropvoeding ziet hij meer in een situatie waarbij ""de buitenwereld' meer mogelijkheden krijgt om binnen de muren van de gevangenis met criminelen te verkeren. Er moet ""een beweging van bewuste burgers' op gang komen, zo meent Van Weringh, die in zijn ""autonome gevangenis' gedetineerden tot houvast en ""klankbord' zijn. Dit ultieme beroep op de burgerzin van bewogen mensen, dat overigens nauwelijks wordt uitgewerkt, lijkt echter eerder een noodgedwongen consequentie van zijn verwerping van het justitieel beleid, dan een reëele mogelijkheid tot verbetering. En dat is jammer.