Een mooie eindspelstudie, jammer dat zij niet deugt

Welke eindspelstudie is het vaakst afgedrukt? Ik zou denken dat het de Saavedra-studie is. Ik zal het hier niet nog een keer doen. Wit Kb6, pion c6, zwart Ka1, Td5; wit begint en wint. Dat moet genoeg zijn.

De beroemdste studie aller tijden, waaraan voor altijd de naam van Saavedra verbonden zal zijn, is niet door Saavedra gecomponeerd. Deze Spaanse priester, in Schotland voor een werkbezoek, zag in 1895 in de Glasgowse Weekly Citizen een studie met de opgave: zwart maakt remise. 1. c7 Td6+ 2. Kb5 Td5+ 3. Kb4 Td4+ 4. Kb3 Td3+ 5. Kc2 Td4 6. c8 D Tc4+! 7. Dxc4 pat, dat was de oplossing die het Glasgowse weekblad gaf. De scherpzinnige priester liet de schaakmedewerker weten dat wit met 6. c8 T! kon winnen: het pat gaat niet meer op, er dreigt mat en na 6...Ta4 wint wit met 7. Kb3. Eén zet had Saavedra slechts gevonden en zijn naam zal nooit meer vergeten worden. Zo ziet u: waar u ook bent, lees de plaatselijke schaakrubriek met aandacht en argwaan en eeuwige roem kan uw deel zijn.

De Engelse eindspeldeskundige A.J. Roycroft wijst in zijn boek Test Tube Chess, een handleiding voor beginnende genieters van de eindspelstudie, een andere studie aan als de meest geciteerde aller tijden. Het is een klassieke studie van de gebroeders Platov. Schaakjournalist, laat u niet door valse schaamte ervan weerhouden de oude klassieken te publiceren, schrijft Roycroft. Ze zijn niet voor niets klassiek en altijd zullen er weer nieuwe generaties schakers zijn die er de eindspelstudie door zullen leren liefhebben.

Zie diagram 1

V. en M. Platov, eerste prijs Rigaer Tageblatt, 1909. Wit begint en wint. Het is inderdaad niet voor niets een klassieke studie, de oplossing is heel fraai. Maar dat is volgens Roycroft niet de belangrijkste reden dat hij zo vaak is afgedrukt. Het zou een favoriete studie van Lenin zijn geweest. Als het waar is dat Lenin deze studie heeft opgelost, moet hij een goed schaker zijn geweest.

Op iedere datum die op de een of andere manier met het leven van Lenin in verband gebracht kon worden, drukten de schaaktijdschriften van de Sovjet-Unie deze studie van de gebroeders Platov af, de nationale tijschriften 64, Schaakbulletin en Schaak in de USSR, maar ook de kleine blaadjes van de schaakclubs van de provinciesteden. Jammer dat er nooit een copyright op eindspelstudies is ingevoerd. Het zou Michail Platov overigens niet geholpen hebben. Hij was ingenieur en werd in 1937 op de werkplek betrapt op een denigrerende opmerking over Stalin. Lenins favoriete studiecomponist werd gearresteerd en naar een kamp gebracht, waar hij een jaar later stierf. Misschien wilt u uw krachten meten met Lenin, en daarom geef ik pas volgende week de oplossing van deze studie.

Een studie die ook heel vaak gepubliceerd is, tenminste in de tijd dat men nog dacht dat zij correct was, is de volgende.

Zie diagram 2

J. de Villeneuve-Esclapon, eerste prijs Schweizerische Schachzeitung, 1923. Wit begint en maakt remise.

De hoofdvariant van de auteursoplossing gaat zo: 1. Lf8-g7 Th8-h7 2. Kh3-g4 Kb8xa7 3. Kg4-h5 Pd4-f5 4. Lg7xb2 Th7xh6+ 5. Kh5-g5 Th6-h2 6. Lb2-e5 Th2-f2 7. Le5-f4 Pf5-d4 8. Lf4-e3 Tf2-f5+ 9. Kg5-g4 Tf5-d5 10. Kg4-f4 Ka7-b6 11. Kf4-e4 Kb6-c5 12. Ke4-d3 Remise. Zwart staat een toren voor, maar het zwarte paard staat in een eeuwige penning. Wit hoeft alleen met zijn loper op de diagonaal e3-g1 heen en weer te gaan. Als zwart het paard in de steek laat, ontstaat een remise-eindspel van loper tegen toren en anders kan zwart niet verder komen.

Heel mooi, maar er is iets mis met deze studie. De eerste aanslag erop werd gepleegd door grootmeester Bondarevski, die in 1955 in Schachmati uitvoerige analyses publiceerde die moesten bewijzen dat zwart met 3...Pe6 in plaats van 3...Pf5 zou winnen. Die analyses klopten niet. Later vond men dat wit na 3...Pe6 toch remise kan houden met 4. Lxb2 Tb7 5. La3 Tb3 6. h7! (niet opgemerkt door Bondarevski, die wit 6. Le7 liet spelen) Th3+ (6...Txa3 7. Kg4!) 7. Kg6 Kb7 8. Kf5 Pd8 9. Kg6.

De studie was gered, maar het was op het nippertje. Bovendien was de redding maar tijdelijk. Kort daarna werd een andere winstweg voor zwart gevonden: 1. Lg7 Th7 2. Kg4 en nu niet 2...Kxa7 maar 2...Kb7. Het idee is dat het witte paard later toch wel verloren gaat en dat zwart zich nog niet op de diagonaal a7-g1 hoeft te begeven, waar hij in de auteursoplossing tenslotte fataal gepend word. Hier bleek niets aan te doen te zijn.

Liefdevolle restaurateurs suggereerden dat je de eerste twee zetten weg zou kunnen laten en als uitgangsstelling de stelling na 2...Kxa7 nemen. Helemaal bevredigend is dat niet. Je verliest een aardige inleiding en studie-puristen stoorden zich eraan dat in dat geval de zwarte koning in de beginstelling al op de fatale diagonaal a7-g1 staat. In de oorspronkelijke versie wordt hij daarheen gedwongen (dat was de bedoeling althans), wat mooier is. Zowel de Rus Leonid Koebbel als de Nederlander Jan van Reek heeft geprobeerd om de studie van De Villeneuve-Esclapon op andere manier te repareren, maar beiden moesten daarvoor ver van de oorspronkelijke uitgangsstelling afwijken.

Nu staat in het februarinummer van British Chess Magazine een nieuwe verbetering van deze klassieker afgedrukt. Het is een bijzonder simpele. P.V. Byway, iemand die al eerder naam gemaakt heeft met het restaureren van oude meesterwerken, voegt aan de stelling van diagram 2 een witte pion op a4 toe. Nu gaat de hoofdvariant net zoals De Villeneuve-Esclapon het in 1923 bedoelde, en de weerlegging 2...Kb7 is niet mogelijk, omdat wit tenslotte zijn paard op b5 in veiligheid kan brengen. A Classic Corrected is de titel van het artikel waarin eindspelstudiespecialist Timothy Whitworth de nieuwe versie aan de schaakwereld presenteert en zijn commentaar is een hartelijk "Bravo!'

Ik wil me niet als smaakmeester op dit esoterische gebied opwerpen, maar ik kan zijn geestdrift toch niet helemaal delen. Een pion op a4, die als enige functie heeft om het paard een vluchtveld op b5 te geven - het zou nog door de beugel kunnen als die pion niet aan het eind van de hoofdvariant de boel zou bederven. In de oorspronkelijke studie van De Villeneuve-Esclapon blijft wit een toren achter, maar zwart kan er niets mee doen. Dat is mooi en het is de reden dat deze studie zo beroemd is geworden. Maar in de nieuwe versie van Byway kan wit aan het eind op een banale en overbodige manier een stuk winnen door zijn a-pion naar de achtste rij te schuiven.

Als de studie zo in 1923 naar de Schweizerische Schachzeitung was gestuurd, had zij misschien geen prijs gewonnen, en het is wel zeker dat zij nooit zo beroemd zou zijn geworden als de oorspronkelijke foutieve versie van De Villeneuve-Esclapon. Nee, ik moet zeggen dat ik de verbetering van Jan van Reek uit 1967 bevredigender vind, al is het ook hem niet gelukt om de oorspronkelijke magistrale schoonheid in volle luister te herstellen.

Het was eigenlijk de bedoeling dat deze rubriek over de Nederlandse en Vlaamse studiecomponisten zou gaan en over het boek dat Jan van Reek en Henk van Donk over hen hebben geschreven, maar mijn inleiding is een beetje uit de hand gelopen en er is geen plaats meer. Een volgende keer.