De tweede horde

REEDS OP HET EERSTE GEZICHT wringt er iets tussen het besluit van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties een internationaal tribunaal in te stellen voor berechting van de Bosnische gruwelen en de voortgaande bemiddelingspogingen in het Bosnische conflict. Het doet wonderlijk aan VN-afgezant Cyrus Vance door één deur te zien gaan met types als Milosevic en Karadzic terwijl het hoogste orgaan van zijn organisatie bij wijze van spreken reeds bezig is de galg voor dit tweetal, en consorten, op te richten. Maar op de keper beschouwd is dit niet meer dan een van de vele absurditeiten die het conflict typeren. VN-sancties tegen Servië en Montenegro blijken bijvoorbeeld deelname van militairen uit klein-Joegoslavië aan de VN-vredesmacht in Angola niet in de weg te staan.

Resolutie 808 over het internationaal tribunaal laat zelf de nodige juridische en politieke vragen open over de inrichting van het gerecht, de bewijsvoering en - niet het minste knelpunt - het benoemen van de aanklagers bij wie de sleutel berust voor de procedure. Op zichzelf zijn dergelijke kwesties oplosbaar. Bij de oprichting van het internationale militaire tribunaal van Neurenberg in 1945 waren de vier geallieerde partijen binnen zes weken van formele onderhandelingen in Londen uit dit soort vragen. Beslissend is de wil ernst te maken met massale schending van het humanitaire recht. Wat dit betreft heeft de Veiligheidsraad een belangrijke horde genomen doordat alle vijf permanente leden hebben ingestemd met de resolutie.

VAN BELANG IS VOORAL dat de resolutie zich beperkt tot een ad hoc tribunaal en niet slaat op een permanente instelling waar iedere staat in principe mee te maken zou kunnen krijgen. Dat roept natuurlijk direct de wedervraag op: waarom Bosnië wel en (bijvoorbeeld) Cambodja niet? Het ene onrecht heft het andere niet op. Belangrijk is dat er een begin wordt gemaakt. De discussie over een algemene rechtsgang sleept zich, na een eerste al snel doodgelopen aanzet vlak na de Tweede Wereldoorlog, nu al weer meer dan tien jaar voort in de VN-commissie van deskundigen voor volkenrechtelijke vraagstukken. Er zijn allerlei voorstellen geproduceerd, maar nog in oktober 1991 heeft een hoofdrolspeler als Amerika zich openlijk sceptisch betoond over een dergelijke algemene aanpak. Toch was dit de periode dat president Bush Irak aansprakelijk stelde voor oorlogsmisdrijven in het algemeen en Saddam Hoessein in het bijzonder voor misdrijven tegen de vrede. Dat de Verenigde Staten nu hebben meegewerkt aan resolutie 808 is dan ook van speciale betekenis. Dat geldt overigens ook voor Engeland, dat tot dusver de ad hoc aanpak afwees.

DE GROTE VRAAG IS hoe de verdachten ooit daadwerkelijk voor de rechter moeten worden gebracht. De paradox is dat deze vraag aan belang wint naarmate het werk aan het straftribunaal voortgang boekt. De hoop is natuurlijk dat deze onderneming op zichzelf een heilzame werking heeft op het vredesproces. Maar een eventuele goede afloop van de bemiddeling brengt al gauw de roep mee om amnestie, een "punto final'. Of kan de ontkenning van zoveel schreeuwend onrecht nooit meer opleveren dan de zoveelste tijdelijke wapenstilstand?

Er blijven nog de nodige hordes te nemen. Maar die ontlenen hun betekenis mede aan de aanvankelijke weerstanden die intussen toch maar genomen zijn: in oktober vorig jaar de onderzoekscommissie van Kalshoven, die inmiddels serieus aan het werk is, en nu het principebesluit van een straftribunaal dat ook enige verplichtingen schept. Het ziet er naar uit dat het moeizame proces van internationale rechtshandhaving zowaar bezig is een eigen dynamiek te ontwikkelen.