De conjunctuur van industriebeleid

Steunverlening aan ondernemingen is niet langer taboe in Den Haag. "Industriebeleid in de jaren negentig' - de brief die minister Andriessen (economische zaken) deze week naar de Tweede Kamer stuurde - dicteert de strenge voorwaarden waaronder een onderneming in nood een beroep kan doen op het budget van economische zaken. “Majeure gevallen met een uitzonderlijk karakter”, schrijft Andriessen.

De recente perikelen rondom Fokker en DAF legden de kwetsbare positie van de Nederlandse industrie genadeloos bloot. Als CDA-minister Andriessen consequent had vastgehouden aan zijn vrije marktfilosofie - zoals hij die predikte bij zijn aantreden in november 1989 - hadden deze bedrijven het loodje gelegd. Nood breekt wet nu de Nederlandse industrie zich in “zwaar weer” bevindt. De "geldbuidel' van Economische Zaken ging even open voor Fokker en DAF. Deze twee bedrijven voldoen immers aan Andriessens criteria: ze vormen de spil van een cluster van bedrijven van groot economisch en technologisch belang, de financiële bijdrage van de overheid is tijdelijk, en ook aandeelhouders en financiële instellingen leveren een substantiële bijdrage.

De "bekering' van Andriessen wordt opgedrongen door de economische omstandigheden. Discussies over het industriebeleid worden in Nederland actueel in een periode van economische neergang; de behoefte aan een "stroppenpot'. In zijn brief hekelt Andriessen deze klassieke fout. Industriebeleid is in zijn visie het creëren van gunstige concurrentievoorwaarden voor het Nederlandse bedrijfsleven. De overheid moet volgens Andriessen de sparring-partner zijn voor het bedrijfsleven, die af en toe een tactische aanwijzing geeft: verbaal en soms - heel soms - met geld.

Nederland kent, in tegenstelling tot Frankrijk en Duitsland, geen industriebanken. Bij een verminderde economische groei is het voor bedrijven zeer moeilijk om kapitaal aan te trekken. Investeringen worden uitgesteld, waardoor de concurrentiepositie verslechtert. In Frankrijk en Duitsland wordt deze situatie opgevangen door de verstrekking van zogenoemde achtergestelde leningen; bij een faillissement wordt zo'n lening als laatste afgelost. Of de industriebank verschaft kapitaal door aandelen in een bedrijf te kopen.

In Nederland is dit slechts op zeer beperkte schaal mogelijk. De industriefaciliteit moet uitkomst bieden. “In de huidige ongunstige conjuncturele situatie acht ik dit nieuwe instrument van groot belang voor de beschikbaarheid van voldoende risicodragend vermogen”, schrijft Andriessen in zijn brief.

Voor (middel)grote ondernemingen die onderdeel uitmaken van innovatieve clusters hebben banken, verzekeringsmaatschappijen, pensioenfondsen en economische zaken een "oorlogskas' gecreëerd van 800 à 900 miljoen gulden. De aanvankelijke scepsis die Andriessen had tegenover de ideeën van het Kamerlid Van Gelder (PvdA) over een speciale financiële regeling voor de industrie verdwenen met het inzakken van de conjunctuur.

De metamorfose van Andriessen kan ook worden verklaard door zijn veranderende opstelling ten opzicht van de EG. Brussel controleert of overheden nationale bedrijven niet bevoordelen ten opzichte van andere bedrijven. Tegelijkertijd neemt de beleidsconcurrentie tussen de EG-lidstaten toe. Dit werd gisteren weer een keer onderstreept in de studie "The European challenges post 1992', waarin de drijvende krachten van de Europese integratie zijn onderzocht in de twaalf lidstaten. Volgens de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, die het onderzoek in Nederland uitvoerde, moet het kabinet Lubbers-Kok een aanzienlijke inspanning leveren om een concurrend ondernemingsklimaat te handhaven.

“Overheden worden in zekere zin steeds creatiever in het terzijde staan van het eigen bedrijfsleven”, constateert Andriessen in zijn brief. Schoorvoetend - immers het is in strijd met zijn vrije markt-filosofie - zal Andriessen zich moeten aanpassen aan de nieuwe spelregels van de EG-lidstaten. Het "hernieuwde elan in Europa' dat de minister van economische zaken in 1990 signaleerde in zijn nota "Economie met open grenzen' gold voor een periode van hoge economische groei. De conjunctuur dicteert het industriebeleid.