Bedrijf heeft voortaan maar één algemene vergunning nodig; Verdeelde reacties op nieuwe wet Milieubeheer

DEN HAAG, 27 FEBR. Voldoening bij de milieubeweging, maar grote reserves bij het bedrijfsleven, terwijl gemeenten liever meer tijd hadden gekregen om zich op de situatie voor te bereiden. De nieuwe Wet Milieubeheer, die maandag in werking treedt en een centrale rol in het milieubeleid moet vervullen, roept bij betrokkenen sterk uiteenlopende reacties op.

“Een duidelijke verbetering”, vindt R. Rozema van de Stichting Natuur en Milieu. “Tot op heden”, zegt W. van Hardeveld, milieumedewerker van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), “zag je in milieuland door de bomen het bos niet meer, maar dat wordt nu anders.” “Voor ons zitten er diverse haken en ogen aan”, meent ir. J.J. de Graeff, directeur van het bureau milieu van de werkgeversorganisaties VNO en NCW.

Hoofdelement van de nieuwe wet, formeel de voortzetting van de Wet Algemene Bepalingen Milieuhygiëne, is een sterke vereenvoudiging en stroomlijning van het vergunningenstelsel. Bedrijven hebben voortaan maar één algemene milieuvergunning nodig om te mogen draaien met zo min mogelijk schade voor de leefomgeving. Die ene vergunning komt in de plaats van vijf bestaande vergunningen op grond van de Hinderwet, de Wet inzake de Luchtverontreiniging, de Afvalstoffenwet, de Wet Chemische Afvalstoffen en de Wet Geluidhinder. Daarmee komen onderdelen van die wetten te vervallen; de uit 1875 daterende Hinderwet verdwijnt zelfs helemaal.

Om zo'n algemene of integrale milieuvergunning te verkrijgen, hoeft een firma zich voortaan maar aan één loket te vervoegen. Grote ondernemingen moeten daarvoor bij de provincie zijn, kleinere bedrijven kunnen bij de gemeente terecht. Er is echter één uitzondering. Voor lozing van afvalwater op rivieren, kanalen, beken en meren blijft een vergunning krachtens de Wet Verontreiniging Oppervlaktewateren nodig. Deze vergunning wordt doorgaans verstrekt door het betrokken waterschap of - als het om rijkswateren gaat - door het ministerie van verkeer en waterstaat.

“Een belangrijk winstpunt”, schrijft Rozema in het blad van Natuur en Milieu, “is dat de overheid bij een vergunningaanvraag zal moeten kijken naar het belang van het milieu als geheel. De overheid moet de milieubelasting van een bedrijf uitgebreider beoordelen. Onder de milieugevolgen rekent de wet nu ook de gevolgen die verband houden met de verwijdering van afvalstoffen, het energieverbruik en het verkeer van en naar het bedrijf. Tot nu toe beperkte de overheid zich doorgaans tot het milieuprobleem waar de deelvergunning toevallig betrekking op had.”

Dit betekent dat provincies en gemeenten meer ruimte krijgen om aan een vergunning voorwaarden te verbinden en dan speciaal op het gebied van energie, afval, vervoer en grondstoffen. Vooral gemeenten krijgen hiermee een zwaardere verantwoordelijkheid en vaak ook moeten ze in die sectoren kennis zien te vergaren die ze nog niet in huis hebben. “De nieuwe wet”, aldus Van Hardeveld van de VNG, “heeft een grotere reikwijde dan het oude stelsel. De gemeenten betreden een geheel nieuw terrein, waarover nog geen jurisprudentie bestaat. In dat licht was de voorbereidingstijd duidelijk te kort. Het was ons dus liever geweest als de invoering nog enkele maanden was uitgesteld, zodat de gemeenten zich beter in de zaak hadden kunnen verdiepen.”

Ondernemers hebben al eerder laten merken dat ze “grote moeite” hebben met de voorwaarden die provincie en gemeente aan een vergunning kunnen verbinden. Ir. De Graeff van VNO/NCW: “Als het om de uitstoot van verontreinigende stoffen gaat, is het logisch dat de overheid voorschriften uitvaardigt en normen stelt. Daar zult u ons niet over horen. We protesteren echter tegen voorwaarden bij de input van energie en grondstoffen, want dat is een een zaak van het bewuste bedrijf.”

Ook de voorgescheven periodieke herziening van de milieuvergunning (om de vier jaar) ontmoet bij de werkgeversorganisaties bezwaren. De Graeff: “We willen er zeker van zijn dat de overheid bij zo'n herziening ook bedrijfseconomische factoren in overweging neemt. Het mag niet gebeuren dat belangrijke investeringen - denk bijvoorbeeld aan Shell Pernis - al na vier jaar, dus vóór ze afgeschreven zijn, om milieuredenen naar de schroothoop worden verwezen.”

De stroomlijning waarin de nieuwe wet voorziet, is ook bij De Graeff in goede aarde gevallen, maar hij verzet tegen een soort feeststemming: “Men doet alsof er een volstrekt nieuwe situatie onstaat, maar dat is allerminst het geval. De oude wet is alleen in een nieuw jasje gestoken. Bestaande bedrijven schakelen automatisch over op het nieuwe regime en wat dat ene loket betreft: daarachter zitten toch weer verschillende afdelingen en ambtenaren.”

Aanmerkelijk positiever zijn de geluiden die uit de milieubeweging komen. “De nieuwe wet ziet er goed uit; de overzichtelijkheid is ermee gediend”, zegt P. de Ruiter van de Vereniging Milieudefensie. “Al moeten we natuurlijk afwachten hoe het allemaal uitpakt.” En Rozema van Natuur en Milieu: “Ook milieugroepen en particulieren die bezwaar maken tegen een vergunning, komen beter aan hun trekken, want de regels worden eenvoudiger en de procedures korter.”

Ook zijn collega V. Jurgens, jurist bij Natuur en Milieu, is vol lof over de Wet Milieubeheer, al heeft hij wel een afgeleid bezwaar: “Ik vrees dat aan de mogelijkheden die de nieuwe wet biedt, afbreuk wordt gedaan door de convenantencultuur die we in Nederland kennen: door al die vrijblijvende afspraken of herenakkoorden tussen rijksoverheid en een reeks industriële bedrijfstakken.”

Hij spreekt van een “zorgwekkende ontwikkeling”: “Die convenanten kennen een ontsnappingsclausele waardoor het bedrijfsleven investeringen voor een beter milieu kan vertragen als de economische omstandigheden daartoe aanleiding geven. En dan is er nog iets wat ons dwars zit: de naleving van zo'n akkoord kan, in tegenstelling tot een vergunning, niet door derden worden afgedwongen.”