"Als het nu maar vrede blijft' in Vukovar, de verwoeste stad

VUKOVAR, 27 FEBR. “Welkom in Vukovar”, zegt het spandoek, opgehangen ter gelegenheid van de eerste verjaardag van de "bevrijding' van de stad in november 1991. Sinds die dagen, toen het Joegoslavische leger en Servische vrijwilligers na enkele maanden strijd met de Kroatische nationale garde de inmiddels in een ruïne herschapen provinciestad overnamen, lijkt er niet veel gebeurd in Vukovar. Tussen de met sneeuw bedekte resten van huizen, flatgebouwen, winkels, kerken en andere gebouwen schuifelen slechts hier en daar een paar mensen.

Vrouwen zijn het meestal, want de mannen zijn vorige maand, toen in het zuiden de Kroaten een ander gebied in Servische handen aanvielen, allen gemobiliseerd.

Nee, van een normaal leven is in Vukovar geen sprake, en van de overwinning lijkt niemand in deze stad vruchten te plukken. De enige provisorisch herstelde gebouwen zijn het ziekenhuis, thans zeer Servisch "Heilige Sava' geheten, hier en daar een kantoortje van een im- en exportfirma waar ondernemende Servische zakenlieden zich naar verluidt vooral bezighouden met het omzeilen van de internationale sancties tegen Servië, en een paar cafés.

De rest van de enkele duizenden mensen die zich in Vukovar ophouden doet het met die ene woning in een flatgebouw die niet door een granaat is opgeblazen, of die twee kamers uit een vrijstaand huis waar nog een dak op zit. De bijna altijd door het oorlogsgeweld van een jaar geleden gesprongen ruiten zijn met doorzichtig plastic dichtgemaakt. Van enige overheidssubsidie voor herstelwerkzaamheden aan je huis is geen sprake, verzekeren inwoners.

“Als het nu maar vrede blijft”, zegt een oud vrouwtje, dat een kindersleetje met kolen achter zich aantrekt. Gekregen van een vriendin, zegt ze en wijst op een deels bewoonde ruïne. De vriendin komt naar buiten - bezoekers in Vukovar zijn een zeldzaamheid - samen met een andere ruïne-bewoonster die van het stadsbestuur een "lege', dat wil zeggen door de bewoners verlaten woning kreeg toegewezen. De laatste komt uit Podravska Slatina, in West-Slavonië, en is vandaar gevlucht voor de oorlog. Een van haar zoons is gesneuveld, de andere twee zijn nu gemobiliseerd en hier in Oost-Slavonië aan het front.

“We zijn bereid alles te vergeven, als het nu maar vrede blijft”, verzekeren de vrouwen. Maar een verder samenleven met hun Kroatische buren van vroeger is niet bij hun vergeving inbegrepen. Integendeel, de vrouwen zeggen dat er in de stad nog steeds "ustashi' leven - een scheldnaam voor Kroaten - die een deel van de voedselhulp inpikken. In Vukovar hielden de aantallen Serviërs en Kroaten elkaar vóór de oorlog ongeveer in evenwicht.

Pag.5: Alleen brood is te krijgen in Vukovar

De ontvangster van de kolen, net als de vrouw uit Podravska Slatina in zwarte rouwkleren, schaamt zich ons niet op de koffie te kunnen vragen, want koffie is er niet in Vukovar. Gratis brood is er, maar dan heb je het met de voedselverlening wel ongeveer gehad.

In een eveneens van plastic ruiten voorziene winkel zijn de schappen grotendeels leeg: slechts brood, een beetje chocolade en wat flessen shampoo zijn er te krijgen. Twee keer per week, zeggen de inwoners, is er markt in Vukovar. Maar het probleem daar is dat er maar weinig boeren uit het ontvolkte, veroverde Oost-Slavonië de moeite nemen iets aan te bieden. En als er al iets is, dan moet je in Joegoslavische dinars betalen.

Maar Joegoslavische dinars zijn niet het wettig betaalmiddel in Vukovar, dat zijn de dinars van de "Servische republiek Krajina', waartoe alle Servische gebieden in Kroatië nu officieel behoren. Prachtig gedrukt, maar bijna niets waard, en bij gebrek aan aanbod van goederen uit de "Servische republiek Krajina' bijna volmaakt nutteloos, klagen de bewoners. Zij hunkeren dan ook naar de "monetaire unie' met Joegoslavië (Servië en Montenegro) die hun voor volgende week beloofd is, en die de Krajina-dinar geldigheid in Servië, aan de andere kant van de rivier, zou moeten geven. Servië moge dan ten prooi zijn aan superinflatie, je kunt er voor geld nog wel iets kopen.

De enkele vrouwelijke personeelsleden die zijn achtergebleven in het kantoor van de rivierhaven - ook hier zijn de mannen gemobiliseerd - hebben enige redenen tot tevredenheid. Niet alleen is het gebouwtje grondig hersteld en is het er warm, maar ook krijgen ze sinds deze maand ten minste de helft van hun salaris in de gewilde Joegoslavische dinars uitbetaald. Daarmee houdt hun tevredenheid ook wel op: “je hebt het gevoel in een luchtbel, ver weg van de wereld te leven”, zegt een van hen. “Alles went natuurlijk, maar als ik wel eens even in Servië ben, realiseer ik me pas hoe abnormaal hier alles is.”

Nou ja, het voornaamste is dat ze de oorlog in Vukovar hebben overleefd, concluderen de vrouwen, hopelijk gaan de Kroaten in dit gebied niet ook tot de aanval over. Veel werk hebben ze niet, een beetje ruilhandel met rivierzand. Hun kantoor moge zijn hersteld, de kranen en kades staan er nog even beschadigd bij als op de eerste dag na de oorlog. “Niemand gaat hier investeren natuurlijk, zolang de toekomst van Vukovar niet duidelijk is.”

Dat hebben ze ook begrepen bij Vuteks, een fabriek van acryldekens in Vukovar die erin slaagt 450 werknemers bezig te houden, tegen 1.700 voor de oorlog. De grootste werkgever van de stad, de enorme rubber- en schoenenfabriek Borovo, is sinds het begin van de oorlog nog slechts een eindeloze woestenij van ingestorte muren en verwrongen staal. Maar bij Vuteks is men erin geslaagd althans enkele fabriekshallen weer provisorisch van een dak en muren te voorzien.

Een deel van het verwoeste machinepark kon de directie, inmiddels bestaande uit de oude Servische kaders aangevuld met enkele geüniformeerd rondlopende bevrijders van Vukovar, uit eigen middelen in Duitsland weer aanvullen. Toen sloeg het internationaal embargo toe: sommige machines staan stil, want de reserveonderdelen zouden uit Duitsland moeten komen. En erger nog: zowel de acryl als de afzet van dekens waren in essentie afhankelijk van een contract met een Duits bedrijf. Vuteks probeert nu zijn dekens in Joegoslavië te verkopen, maar daar neemt de koopkrachtige vraag in snel tempo af. Onder de vrouwen in de fabriekshallen - ook hier zijn alle mannen naar het front gedirigeerd - lijkt de stemming opperbest; iedereen die je in Vukovar spreekt lijkt trouwens vastbesloten de moed erin te houden. Maar de vraag of ze van hun salaris kunnen leven brengt grote vrolijkheid teweeg, over zoveel naïveteit.

“We zijn er trots op dat we hier met eigen middelen de zaak weer aan de gang gekregen hebben”, vertelt een der directieleden, terwijl we over een besneeuwde open vlakte lopen, waar bij nader inzien ook een fabriekshal blijkt te hebben gestaan. “De ZNG (Kroatische garde) had hier een hoofdkwartier ingericht in de atoomvrije kelder en hield lang stand, vandaar dat het hier zo erg verwoest is”, legt hij uit. Een herbouw op eigen kracht is trouwens de enige mogelijkheid: de regering van de "Servische Republiek Krajina' doet niet aan kredieten voor de industrie, die in Krajina-dinars trouwens ook bijkans waardeloos zouden zijn.

Terwijl het langzaam donker wordt in de stad, zijn de straten nog leger dan toen we vanochtend aankwamen. Want het is 's avonds niet pluis tussen de ruïnes, verzekeren inwoners: wie erop uit moet, loopt voor de zekerheid liefst met een pistool op zak. De im- en exportbusiness trekt ook volk van bedenkelijke allure aan, waarvan de gevolgen tot op het hoogste niveau van de "Servische republiek Krajina' voelbaar zijn. Aan de top van de republiek, in de verre hoofdstad Knin in West-Kroatië, ontspint zich een machtsstrijd tussen de "idealisten' die de Servische strijd in Kroatië in 1991 begonnen zijn, en meer zakelijk ingestelde types als de Belgradose onderwereldkoning Arkan, die zichzelf deze maand tot "minister' van de republiek heeft uitgeroepen.

Het wemelt van geruchten over ontslagen, afrekeningen en moorden tussen Serviërs onderling in de "Servische Republiek Krajina', waarvan de gemiddelde bewoner van Vukovar slechts met gelatenheid kennis kan nemen. “Psychologisch is dit alles moeilijk te verteren”, meent een directielid van Vuteks. “We kunnen alleen maar hopen dat als de Kroaten weer aanvallen, de eenheid weer is hersteld.” De wonden van de oorlog zijn zo diep, die overheersen alles en een weer samenleven met de Kroaten hier - zoals de internationale gemeenschap wil - is ondenkbaar, meent hij. Haat verbroedert.