Wie is Freud waar zoo dikwijls over gesproken wordt; Brieven van Willem Elsschot, een argwanend auteur

Willem Elsschot: Brieven. Verz. en toegelicht door Vic van de Reijt. Uitg. Querido, 1237 blz. Prijs ƒ 89,-.

Willem Elsschot schreef zelden een brief van meer dan twee bladzijden. Zijn verzamelde correspondentie bevat nauwelijks openhartige uitspraken en is voor een groot deel gewijd aan gehakketak over honoraria, percentages en mogelijke vertalingen. De literaire waarde is gering. “Niet de brieven van de schrijver Elsschot zijn uitgegeven, maar die van de zakenman Alfons de Ridder.”

Het bericht dat een dik deel brieven van Elsschot gepubliceerd zou worden, heeft hoge verwachtingen gewekt. In de eerste plaats omdat de schrijver geldt als een van de grootste stilisten die het Nederlands gehanteerd hebben. En ten tweede: wat weten we eigenlijk van Elsschot, of Alfons de Ridder zoals hij bij de burgerlijke stand heette? Dat hij op zijn negentiende vader werd en zeven jaar later met de moeder van zijn kind trouwde. Dat hij bij het voorlezen van zijn eigen werk in snikken placht uit te barsten. Dat hij na Lijmen het schrijven opgaf en zelfs niet eens meer een exemplaar van zijn boeken in huis had. Kortom, wat anekdotische gegevens.

Maar wat bewoog de man, waar wond hij zich over op, hoe dacht hij over andere auteurs, wat bracht hem tot schrijven en waarom schreef hij zo weinig? Op dat soort persoonlijke vragen zouden de brieven een antwoord kunnen geven. Een goed geschreven brief van een openhartig karakter is een genot om te lezen: bij De Schoolmeester of Van Gogh zijn daar vele voorbeelden van te vinden.

Wie de lijvige uitgave Willem Elsschot: Brieven in handen neemt, kan al snel één opvallend feit constateren. Het boek bevat 1281 brieven (979 van Elsschot; de rest komt van correspondenten), die op ruim duizend bladzijden staan afgedrukt. Wanneer men bedenkt dat veel brieven zorgvuldig van verklarende noten zijn voorzien - bezorger Van de Reijt verdient daarvoor alle lof - en dat ook veel illustratiemateriaal is opgenomen, dan volgt daaruit de conclusie dat de brieven over het algemeen kort, teleurstellend kort zijn. Zelden schrijft Elsschot een brief van meer dan twee bladzijden. Nu kan een meester in de beknoptheid als hij was natuurlijk veel in weinig woorden zeggen, maar toch: wie zijn hart uitstort, heeft meestal meer ruimte nodig. Openhartige uitspraken komt men in de meerderheid van de afgedrukte brieven dan ook niet vaak tegen.

Gehakketak

Waar gaat het dan wel om in deze correspondentie waarvan we soms één kant (Elsschot), soms ook de brieven van de correspondent (voor zover teruggevonden en van enig belang) te zien krijgen? Een niet onaanzienlijk deel van het briefverkeer is gewijd aan gehakketak over honoraria, percentages en mogelijke vertalingen. Elsschot blijkt een argwanend auteur. Op een zeker moment wil hij zelfs dat alle exemplaren van een druk worden voorzien van een gestempeld nummer. De man die in zijn werk zo meesterlijk bedrog beschreef, wilde zelf niet graag slachtoffer worden.

Afrekeningen van uitgever Van Kampen - bij wie Elsschot uiteindelijk zijn werk onderbrengt - zijn volledig afgedrukt, zodat men precies kan uitrekenen hoeveel Elsschot in bepaalde jaren aan de literatuur verdiende. Eerlijk gezegd lees ik liever een artikel waarin een wat boekhoudkundig ingesteld onderzoeker zulke gegevens samenvat. In hun geheel afgedrukte contracten vormen geen aangename lectuur. Een vergelijking met de brieven van Couperus aan zijn uitgever Veen ligt voor de hand, maar valt ten gunste van Couperus uit want die liet zich toch en passant veel meer over zijn literaire plannen en idealen uit.

Dan zijn er de berichten aan familieleden. Kattebelletjes vaak, een paar woorden aan kleinzoon "Tsjip' bij voorbeeld wanneer die in Duitsland studeert, met een bankbiljet erbij. Een brief aan zijn dochter sluit hij af met "eindig ik een van de langste brieven uit mijn carrière'. Het gaat om nauwelijks meer dan twee pagina's, gevuld met mededelingen over wel en wee zoals men die in elke familiecorrespondentie kan aantreffen.

Geven de brieven ons dan enig nieuw inzicht in de literaire ideeën van Willem Elsschot? Ook in dat opzicht stellen ze teleur omdat de schrijver zelden het achterste van zijn tong laat zien. Alleen een correspondent als Jan Villerius, die gedetailleerde vragen stelt over het werk, krijgt concrete antwoorden. En dan is er Louis Paul Boon, die dwars door de afstandelijke hoffelijkheid van zijn oudere collega heenbreekt en daarom een brief terugkrijgt die niet alleen bestaat uit beleefde frasen. Elsschot typeert zijn aanvaller dan ook zo: "Dankt den Heer die u gemaakt heeft zooals gij zijt: een ongelikte beer, voorzien van vier stevige klauwen.'

Achterneef

De briefwisseling met Boon (overigens al eerder gepubliceerd) laat iets zien van een levendige gedachtenwisseling tussen twee auteurs die aan elkaar gewaagd zijn. Maar verder komt men alleen zo nu en dan een mooie passage tegen, zoals: "Het eeuwig zoeken naar HET juiste woord, dat dikwijls zo moeilijk te vinden is. Het zit soms naast je maar je merkt het niet omdat het zich stil houdt.' In de regel blijft de briefschrijver bij voorkeur aan de oppervlakte. Voor informatie over zijn leven en werk verwijst hij steevast naar het boek van zijn achterneef F. Smits. Wat een verschil met de briefwisseling van Ter Braak en Du Perron, die twee corresponderende boekenkasten! Het is interessant te zien hoe Elsschot, wanneer hij door Greshoff en Forum weer tot schrijven gestimuleerd wordt, even probeert mee te doen aan het literaire leven. Het duurt niet lang. In werkelijkheid bleef hij het liefst ver van allerlei literaire coterieën. Tekenend is zijn relatie tot Walschap: ze wonen in dezelfde straat, maar pas na een jaar of tien gaan de twee echtparen bij elkaar op bezoek. Tot een echte vriendschap is het nooit gekomen.

Zelden schrijft Elsschot over de boeken die hij las en we mogen daaruit wel concluderen dat hij geen groot lezer was. Opvallend is een vraag die hij in 1934 aan Greshoff stelt: "Wie is Freud waar in Forum zoo dikwijls over gesproken wordt? Kan je mij een van zijn boeken aanbevelen?' Er is geen enkele reden om hier ironie te vermoeden. Alfons de Ridder was een zakenman met sociale contacten in andere dan literaire kringen, die geen tijd of lust had om veel te lezen. Van dat zakenleven krijgen we overigens wel het een en ander te zien. Zo weet hij handig allerlei advertenties los te peuteren voor Snoeck's Almanakken - het lijmen in de praktijk dus. Dat is wel aardig om te lezen, zoals we ook kunnen volgen hoe De Ridder met zijn belastingaangifte sjoemelt. Maar ook hier remt het (te) overvloedige materiaal de belangstelling.

Vergissing

In zijn inleiding zegt de bezorger over de brieven: "Daarbij zijn ze veelal geestig en wordt er niet in gezeurd.' Dat laatste wil ik niet ontkennen, het eerste wel. Voor het overgrote deel gaat het om zakelijke brieven, om de correspondentie van een zakenman die zo snel en compact mogelijk iets wil vragen of meedelen. De vergissing waarop deze volumineuze uitgave berust is deze: niet de brieven van de schrijver Elsschot zijn uitgegeven, maar die van Alfons de Ridder! Het verschil tussen eigennaam en pseudoniem is er ook een tussen twee schrijfstijlen (of "pennen' zoals Couperus zou zeggen). Dat laat deze uitgave zelf heel mooi zien, namelijk op de enkele plaatsen waar materiaal wordt gepubliceerd dat later door Elsschot in romanvorm verwerkt is.

Zo wordt een dialoog tussen grootvader en kleinzoon in de brief in kale vraag- en antwoordvorm weergegeven. Maar in De leeuwentemmer waar dit absurde gesprek uitgewerkt is, wordt vrijwel elk stukje dialoog door de verteller uitvoerig van commentaar voorzien. Kortom, het wordt een volkomen andere, zorgvuldig gestileerde tekst. De schrijver Elsschot blijft ook voortdurend bezig met het zoeken naar de scherpste formulering, ook als de tekst al bij de drukker ligt of in tijdschriftvorm gepubliceerd is. Daar zien we een auteur aan het werk. Als de zakenman De Ridder zijn correspondentie zo scrupuleus en tijdrovend behandeld zou hebben, was hij snel failliet gegaan.

Mijn conclusie kan kort zijn: de uitgave van de brieven is literatuurhistorisch van belang, en ook voor de biograaf onontbeerlijk. Maar de literaire waarde is gering.

Brengt de briefwisseling dan zo weinig nieuws? Het meest gentrigeerd hebben mij de enkele, terloopse opmerkingen waaruit Elsschots politieke sympathieën zijn af te leiden. In 1943 heeft hij het in een brief aan Boon over "het onrechtvaardige leven, in deze kapitalistische maatschappij.' Een opvallende uitspraak van iemand die met zoiets oerkapitalistisch als het ronselen van advertenties zijn brood verdiende! Het is geen blindganger, want vlak na de oorlog schrijft hij: "Ik vrees ook dat van het integrale (internationale?) communisme, waar (zijn gedicht) "V.d. Lubbe' door genspireerd werd, niet veel meer overblijft.' En hij eindigt dan met een zin waarin hij aangeeft dat ook hij in zijn jeugd door "die idealistische, revolutionnaire strooming' werd bezield. Niettemin moet hij nog steeds niets hebben van "de wereldheerschappij van de USA, alias het Grootkapitaal'. De achtergrond van zijn visie wordt gegeven in een P.S.: "Draai en keer het zooals je wilt, men moet erkennen dat alleen de communisten aan de zijde van de verdrukten staan.'

Brij

Dat gevoel voor sociale rechtvaardigheid is ook in Elsschots literaire werk terug te vinden, het meest uitgesproken in de gedichten. De slotstrofe van "Tot den Arme' luidt: "Ik zal ter kerke gaan/ en biechten mijne zonden/ en leven met de honden,/ maar staart mij niet zoo aan.' Ook in het proza komen opstandige uitspraken voor. Aan het eind van Tsjip krijgt de jongen de wens mee: "Dat hij moet opstappen met de verdrukte scharen om vorsten en groten tot brij te vertrappen.' De uitgever die het boek in 1936 op de Duitse markt bracht liet die zin dan ook maar weg - tot verontwaardiging van de auteur.

Deernis met de slachtoffers brengt Elsschot in 1947 tot een daad die haaks lijkt te staan op zijn communistische sympathieën. Hij schrijft een gedicht waarin hij het opneemt voor Borms. Deze flamingant, die in beide wereldoorlogen collaboreerde, was in 1946 gefusilleerd. Het gedicht werd geannexeerd door extreem rechtse kringen en veroorzaakte mede daardoor nogal wat commotie. Collega's reageerden verontwaardigd, vrienden werden in verlegenheid gebracht. Boon lijkt de enige die Elsschot vierkant van repliek durft te dienen. De brieven laten zien wat Elsschot ertoe bracht dit omstreden gedicht te schrijven: "Ik heb nu eenmaal de verwenschte manie om, als het ware automatisch en onbewust, aan de zijde van de slachtoffers te gaan staan, peu importe of het democraten of fascisten, Franschen of Duitschers zijn.'

Zo krijgen we zo nu en dan iets te zien van wat hem bewoog. Maar het liefst placht de schrijver zich te verschuilen achter zijn "secretaris' Alfons de Ridder. Dat was iemand die goed op de penning lette, veel om zijn kleinkinderen gaf en zijn brieven zo kort en droog mogelijk hield. Kortom, een man als zovele anderen.