Wetsvoorstel regelt het behouden van oorspronkelijke nationaliteit

DEN HAAG, 26 FEBR. Buitenlanders die zich naturaliseren tot Nederlander kunnen hun oorspronkelijke nationaliteit behouden. Een meerderjarige Nederlander, die vrijwillig een vreemde nationaliteit krijgt, kan ook zijn Nederlanderschap behouden.

Dat is de strekking van het wetsvoorstel tot aanpassing van de Rijkswet op het Nederlanderschap dat door minister Hirsch Ballin en staatssecretaris Kosto (justitie) gisteren naar de Tweede Kamer is gestuurd. Daarnaast zal de erkenning van een buitenlands kind niet meer automatisch leiden tot het verkrijgen van het Nederlanderschap voor het kind. Als het erkende of gewettigde kind Nederlander wil worden, moet het drie jaar verzorgd en opgevoed zijn door de Nederlander die het kind erkend of gewettigd heeft.

De huidige wetgeving kent al een uitzonderingsregel op de algemene eis dat de oorspronkelijke nationaliteit bij naturalisatie moet worden opgegeven. Grieken en Marokkanen bij voorbeeld kunnen hun nationaliteit volgens hun eigen grondwet niet opgeven. Turken die in aanmerking komen voor een erfenis waarbij onroerend goed betrokken is, kunnen daarvoor alleen in aanmerking komen als zij de Turkse nationaliteit hebben.

De regering gaf tijdens de behandeling van de notitie Meervoudige nationaliteit / kiesrecht voor vreemdelingen in 1991 aan, dat zij met de nieuwe algemene regel wil bereiken dat de al lang legaal in Nederland verblijvende minderheden, sneller tot naturalisatie zullen overgaan. Daarmee hoopt de regering het integratieproces te versnellen.

Voor Nederlanders die met dubbele nationaliteit in het buitenland verblijven, heeft het wetsvoorstel overigens een limiet opgenomen. Als de betrokkene tien jaar ononderbroken in het buitenland zijn hoofdverblijf heeft, zal hij zijn Nederlandse nationaliteit verliezen.

Het tarief voor naturalisatieverzoeken wordt met ingang van 1 maart 1993 verhoogd van 400 naar 500 gulden, zo maakte justitie bekend. De mogelijkheid tot vrijstelling van het bedrag vervalt. Onder de huidige regeling wordt 45 procent van de verzoeken vrijgesteld van betaling.

In plaats daarvan komt er een minimumtarief van 125 gulden dat geldt als het netto inkomen van de verzoek(st)er en zijn eventuele partner samen niet hoger is dan de gezinsuitkering volgens de Algemene Bijstandswet. Als de partners het verzoek tegelijkertijd indienen dan is het bedrag (500 of 125 gulden) slechts éénmaal verschuldigd.