Pseudocumulus codalis Ruisdaelis; Meteorolgen en andere wetenschappers over 17de-eeuwse schilderijen

Frans Grijzenhout en Henk van Veen (redactie): De Gouden Eeuw in perspectief. Het beeld van de Nederlandse zeventiende-eeuwse schilderkunst in later tijd. Uitg. SUN/Open Universiteit, 440 pag. Prijs ƒ 49,50.

David Freedberg en Jan de Vries (redactie): Art in History, History in Art. Studies in Seventeenth-century Dutch Culture. Uitg. The Getty Centre for the History of Art and the Humanities (distributie The University of Chicago Press), 446 pag. Prijs ƒ 126,50 (gebonden), ƒ 72,80 (paperback).

Steeds meer disciplines zijn zich gaan bemoeien met de Nederlandse kunst uit de Gouden Eeuw. Economen tellen schilderijen, archivarissen zoeken naar biografische gegevens, biologen determineren planten en meteorologen onderzoeken of het weer dat Rembrandt en Ruysdael afbeelden wel kan bestaan. “Veel wolkencombinaties zijn onmogelijk.”

De natuurlijke plaats van een meteoroloog is de open lucht, desnoods een studio in Hilversum, maar niet het Rijksmuseum. Toch hield enkele jaren geleden een van onze nationale weerhelden zich daar op. Hem was gevraagd een lezing te houden over het weer op zeventiende-eeuwse Nederlandse schilderijen en hij deed dat met verve. Hij had zich nog nooit in dit onderwerp verdiept en kon dan ook onbevangen een van de weinige door Rembrandt geschilderde landschappen onder de loep nemen: een winterlandschap met een bevroren plas, enkele schaatsers en een hondje. De conclusie van de weerman was eenduidig: dit weer bestond niet. Het was onmogelijk dat het te zelfder tijd hard vroor, dat de zon even doorkwam en dat er in de schrale lucht dergelijke wolken dreven. De wind moest een venijnige vrieskou over het ijs hebben doen waaien, die het onmogelijk maakte dat de schaatsers zich zo onbekommerd op het ijs begaven. Rembrandt had manifestaties van verschillende weertypes bijeengebracht in een compositie. Hier lag alweer een staaltje bedriegelijkheid van Nederlandse schilderijen: de onderdelen zijn met grote precisie weergegeven, het totaalbeeld is een gecomponeerde fictie.

Een dergelijke lezing zou honderd, vijftig of zelfs vijftien jaar geleden niet plaats hebben kunnen vinden. Zo'n profane benadering van een kunstwerk grensde aan heiligschennis. Maar de tijden zijn veranderd en meer disciplines zijn zich gaan bemoeien met de Nederlandse kunst van de zeventiende eeuw. Dat heeft ongetwijfeld te maken met het veranderend karakter van historische en kunsthistorische tentoonstellingen. Een jaar of twintig geleden zette de trend in om tentoonstellingscatalogi te laten uitdijen van eenvoudige objectenlijstjes tot omvangrijke boeken. Die werden gevuld, niet alleen met royalere afbeeldingen van het tentoongestelde, maar ook met inleidende essays, vaak geschreven door geleerde buitenstaanders, door historici, Neerlandici, economen, archivarissen, sociologen en biologen, allen behept met een gelukkige kunsttic. Zij stelden andere vragen aan de kunst en lieten er hun eigen methodes op los.

De economen gingen tellen. Hoeveel schilders zijn er geweest, hoeveel schilderijen hadden de Nederlanders in huis en hoeveel schilderijen zijn er eigenlijk in totaal gemaakt in de zeventiende eeuw (het voorlopige antwoord op die laatste vraag luidt vier tot negen miljoen). De archivarissen spitten de archieven door op zoek naar biografische gegevens over schilders en verzamelaars. De Neerlandici bestudeerden uitbeeldingen van toneelteksten of analyseerden kunsttheoretische teksten en lofdichten op kunst, de biologen determineerden planten en dieren op stillevens en de architectuurhistoricus keek naar de boerderijtypes die Rembrandt tekende. Het natuurwetenschappelijk onderzoek richtte zich op de ouderdom van panelen, de ondertekeningen en de onderschilderingen, wat weer inzichten opleverde over de technische werkwijze van schilders en over de atelierpraktijk.

Alledaags

Ook op het gebied van de kunsthistorische ideeëngeschiedenis is onderzoek gedaan. Kunsthistorici en historici, die zich tot voor kort nauwelijks met elkaar bemoeiden, bogen zich bijvoorbeeld over de receptie van de zeventiende-eeuwse kunst. Een recent produkt van hun symbiose is het boek De gouden eeuw in perpectief, een cursusboek van de Open universiteit dat ook in de handel verkrijgbaar is. Het boek bevat dertien hoofdstukken, geschreven door acht kunsthistorici, vijf historici en een neerlandicus, allen Nederlanders. Het eerste van de drie delen waar het boek uit bestaat behandelt de opvattingen van kunsttheoretici en -verzamelaars tussen 1660 en 1750.

Doorgaans wordt het oordeel van de tijdgenoot afgeleid uit de theoretische kunsttractaten, maar de praktijk bewijst dat de gemiddelde schilderijenbezitter zich daar weinig van aantrok. De kunsttheorie stond haaks op de smaak, op de praktijk van aanbod en vraag. Zo mogen de Italiaanse en Franse classicistische normen met hun verheven onderwerpen en hun idealiserende wijze van uitbeelden dan wel in gloedvolle bewoordingen verkondigd zijn, veel Nederlanders hadden toch maar de alledaagse, realistisch geschilderde voorstellingen aan de muur. In de achttiende eeuw wordt de Nederlandse kunst in het buitenland geliefd en verdwijnen schilderijen massaal naar Duitsland, Frankrijk en Engeland. Tegelijkertijd breekt in eigen land het besef van verval door. De Nederlanders voelen dat hun Gouden Eeuw voorbij is, in politiek, economisch en cultureel opzicht. De zeventiende eeuw werd een voorbeeld, een maatstaf, waarvan men inzag dat men er niet aan kon tippen.

Het tweede deel van het boek laat zien hoe de Gouden Eeuw instrument werd om uiteenlopende ideologieën kracht bij te zetten. In de negentiende eeuw ontstond er zoiets als een nationaal gevoel, dat uitgedrukt en ook opgewekt werd door middel van geschiedschrijving, door gedichten, liederen, schoolboeken, wandplaten, standbeelden en niet in de laatste plaats door de Gouden Eeuw als inspirerend voorbeeld te kiezen. Die eeuw betreurde men nu niet langer als een periode die nooit meer geëvenaard zou worden, nee, die eeuw werd nu het lichtend voorbeeld. De schilders werkten niet alleen in de trant van hun grote voorgangers, ze kozen ook historische gebeurtenissen uit die tijd tot onderwerp. Letterkundigen roemden de Gouden Eeuw eveneens, met als beslissend en tot onze tijd doorschallend slotakkoord Busken Huets Het land van Rembrand (1882-1884). De Nederlandse schilders hadden sinds het einde van de zeventiende eeuw geen beste reputatie. Het zouden verkwistende dronkelappen zijn geweest. Dat nam niet weg dat hun kunst toch maar, aldus Busken Huet, bijgedragen had aan de "algemeene geschiedenis van Europa's beschaving'.

Volksaard

Vanaf deze periode kon die schilderkunst niet meer kapot. Sterker nog dan daarvoor werd de zeventiende-eeuwse kunst gekoppeld aan opvattingen over de Nederlandse volksaard. De portretten, stadsgezichten en interieurs zag men als spiegels van het Nederlandse karakter, waarvan de voornaamste kenmerken properheid en huiselijkheid waren en dat alles doortrokken van een calvinistische geest. Naar veel diepgang hoefde men in deze kunst niet te zoeken. In de twintigste eeuw blijkt dan nog eens hoe die kunst kan worden ingeschakeld voor extreme ideologieën, van ultrarechts, dat Rembrandt zag als "meer Germaan dan Nederlander', tot de marxisten aan toe. De index van dit boek leert dat Rembrandt verreweg het meest frequent genoemd wordt. Zijn reputatie is dan ook nooit aangetast en vooral bij hem is te zien hoe hij voor uiteenlopende ideologieën kon worden ingeschakeld. Zijn rol lijkt in dit opzicht niet uitgespeeld. Het is geen toeval dat juist nu elk Europees land vertwijfeld op zoek is naar nationale identiteit, Rembrandt een embleem voor ons land aan het worden is en dat het Rijksmuseum met overheidssteun Rembrandts portret van Johannes Uyttenbogaert heeft gekocht. Twee vliegen in één klap: een nationale historische figuur uitgebeeld door onze nationale schilder.

Deel drie van De Gouden Eeuw in perspectief behandelt de kunsthistorische benaderingen van de zeventiende-eeuwse schilderkunst. In de anderhalve eeuw dat men van serieus kunsthistorisch onderzoek kan spreken heeft er altijd een spanning bestaan tussen een esthetische, objectgerichte benadering die sterk leunt op persoonlijk kennerschap en op een oog voor stijl en techniek, en een benadering die de context, het functioneren van de schilder en zijn kunst in kaart probeert te brengen. De laatste decennia heeft die context veel meer reliëf gekregen. De inbreng van economen en economisch historici heeft laten zien hoe massaal de schilderijenproduktie is geweest. Meer inzicht is er gekomen in de atelierpraktijk en in de opleiding van schilders.

Symboliek

Het debat over de betekenis van schilderijen is actueel. Waren ze werkelijk zo beladen met symboliek, of geldt dat alleen maar voor een beperkt soort schilderijen en speelden formele stilistische overwegingen en eigenschappen als vakmanschap en virtuositeit de hoofdrol bij de waardering? In wezen is de vraag naar "de betekenis' veel te ruim gesteld en omvat hij veel te veel variabelen. Het gaat immers om honderden schilders, om honderdduizenden schilderijenbezitters en om enkele miljoenen schilderijen over een periode van honderd jaar. Ook het beeld van de typische "Hollandsheid' van de Nederlandse schilderkunst is sterk genuanceerd. Nederlandse schilders kozen niet alleen heldere landschappen, propere interieurs en stadsgezichten en nuchtere regenten tot onderwerp, maar blonken ook uit in lang als onnederlands beschouwde onderwerpen. Ze beheersten ook het métier zoals de classicistische regels dat voorschreven. Zij schilderden gecompliceerde historiestukken, ze legden het Italiaanse landschap vast en ze deden niet onder voor Caravaggio, Lorrain en Poussin. Ze zijn kortom ook weer Europeser dan lang is gedacht.

De Gouden Eeuw in perspectief is een uitstekende inventarisatie van de ideeën die er drie eeuwen hebben bestaan over de Nederlandse schilderkunst uit de zeventiende eeuw. Een krachtige redactie heeft de bijdragen tot heldere jargonloze artikelen gesmeed, die overigens wel een behoorlijke voorkennis veronderstellen. Een aantal voorbeelden van recent onderzoek op het gebied van de schilderijen uit de zeventiende eeuw zijn te lezen in Art in History/History in Art. Dit boek is een heterogene verzameling artikelen, deels bewerkingen van lezingen van een congres in 1987, deels vertaalde of omgewerkte en elders gepubliceerde bijdragen van Nederlanders en Amerikanen. Het spectrum van vakgebieden dat hier aan bod komt is ruimer dan de titel doet vermoeden. Er staan bijdragen in over de problemen van symboliek en realisme en over de uitkomsten van kwantitatief onderzoek. Een botanicus buigt zich over de wortels en knollen op marktscènes en kan het voorkomen van gewassen daardoor beter dateren dan op grond van literatuur mogelijk was. Een scheepshistoricus laat zien hoe nauwgezet schepen werden geschilderd. En een Amerikaanse meteoroloog en een kunsthistoricus komen tot dezelfde conclusie als de Nederlandse weerman: veel wolkencombinaties zijn onmogelijk. Het gemiddelde Nederlandse weer met bewolking en wat regen wordt zelden afgebeeld. Schilders kozen voor een beperkt aantal weertypes, meestal voor mooi zomerweer en een enkele keer voor storm. Vaak ziet men verschillende wolkentypes die niet tegelijkertijd kunnen optreden, wat zelfs heeft geleid tot een nieuwe meteorologische aanduiding, de Pseudocumulus codalis Ruisdaelis. Hoe interessant die constatering op zich zelf al is, hij maakt ook iets duidelijk over de motieven van de schilder. Het ging hem kennelijk niet in de eerste plaats om de nauwgezette afbeelding van een bestaande werkelijkheid, maar eerder om de creatie van een perfecte illusie, waar ook wij nog steeds inlopen. Wolken waren evenals huizen, bomen, personages, bloemen, fruit en alles wat er uit een Nederlands penseel kon vloeien manipuleerbaar; ze stonden ten dienste van de compositie.

Waardering

Beide boeken bevatten een schat aan inzichten over de zeventiende-eeuwse schilderkunst en de receptie daarvan. Over één thema blijven we irritant slecht ingelicht: over de waardering voor deze kunst in de tijd zelf. De opvattingen van de theoretische kunsttractaten vallen niet samen met de waardering van het grote publiek. Literaire uitingen over schilderkunst zijn vaak hooggestemde gemeenplaatsen. Langzaam doemen dank zij kwantitatief onderzoek de contouren op van de aanwezigheid van bepaalde schilderijtypes in bepaalde huishoudens. Maar een wat systematischer onderzoek naar contemporaine observaties is nauwelijks van de grond gekomen. En voorlopig blijft het gissen naar de manier waarop de zeventiende-eeuwer heeft gekeken naar die wolken boven het Nederlandse landschap.