Premier Rabin ontmoet steeds luidere kritiek in Israel

De kritiek op premier Rabin neemt langzaam maar zeker steeds scherpere vormen aan. Kritiek van oppositiezijde ligt voor de hand en wordt gewoonlijk vakkundig afgehandeld. Soms is die zelfs welkom. Maar als de aanvallen uit zijn eigen partij komen, of van invloedrijke columnisten die Rabin bij de vorige verkiezingen en in het begin van zijn ambtsperiode als premier steunden, gaan de deskundigen zich afvragen wat er is misgegaan en scherpen zij met genoegen de pen om de leider te wijzen op zijn tekortkomingen.

De kwestie die dit proces van uitholling op gang heeft gebracht, was gemakkelijk te traceren. Hoewel uit opiniepeilingen bleek dat een overweldigende meerderheid van de Israelische bevolking het eens was met de deportatie van de militante moslims van de Hamas, waren dagelijks afwijkende geluiden te horen. Hoe meer men zich realiseerde dat het vasthouden van de gedeporteerden in het niemandsland in Zuid-Libanon de Israelische belangen schaadde, hoe luider en algemener de kritiek op Rabins beleid werd. De minister van justitie, die uit Rabins eigen partij afkomstig is, was tegen de deportatie. Minister van buitenlandse zaken, Peres, was in het buitenland toen het kabinet de beslissing van Rabin goedkeurde. Zolang Peres in de regering wilde blijven, bleef hem maar één weg open: achteraf zijn steun betuigen aan een beslissing die hij waarschijnlijk niet onderschreef. Maar het is een publiek geheim dat de minister van buitenlandse zaken, die nog steeds een grote aanhang heeft binnen de Arbeidspartij, zwaar tilde aan de kwalijke gevolgen van de beslissing en aan de schijnbare botheid van Rabin in de noodzaak een balans te vinden tussen scherpe veiligheidsmaatregelen en goede betrekkingen met de internationale gemeenschap.

Niet bekend

Toen de overeenkomst met de Amerikanen was gesloten, trachtte Rabin die af te schilderen als een overwinning op de Verenigde Staten. Noch Marcus, noch zijn vakbroeders waren bereid die grootspraak te slikken. Zij weigerden het compromis, dat onder de omstandigheden noodzakelijk was, te accepteren als een middel om de regering-Clinton "uit de narigheid' te halen - alsof Clinton en niet Israel in de problemen zat. Marcus noemde zijn tweede artikel "Het opgewonden standje en de analytische geest', twee karaktertrekjes die aan Rabin worden toegeschreven, hoewel ze niet altijd harmonisch samengaan. Een paar dagen later, op 9 februari, betreurde Marcus het dwaze besluit van het kabinet door de knieën te gaan voor de grondwetswijziging waarbij de premier door directe verkiezingen aan de macht zou komen. Die wijziging was bij de verkiezingen in 1992 nog niet van kracht, maar zal dat in 1996 wel zijn.

Verwijzend naar Rabins neiging zich te gedragen alsof Israel een presidentieel systeem zou hebben, dringen Marcus en anderen erop aan dat dit hele concept opnieuw wordt bekeken, waarbij zij Rabins recente gedrag als voldoende reden aanhalen om dat besluit terug te draaien. Andere critici, speciaal degenen die voor het dagblad Davar van de Arbeidspartij schrijven, hebben niet veel meer begrip getoond voor de in het nauw gebrachte premier. Zij hebben vraagtekens gezet bij zijn aanpak van de deportatiekwestie. Hoe was het mogelijk dat hij de woede en teleurstelling over de deportatie niet heeft voorzien? Heeft hij niet begrepen dat de Veiligheidsraad en de grote mogendheden niet tevreden zouden zijn met de uitspraak van het hooggerechtshof, waar Rabin zo verguld mee was? De overeenkomst die hij uiteindelijk met de Amerikanen heeft gesloten, heeft bewezen dat de uitspraak van het hooggerechtshof geen oplossing bood voor de kwestie.

Een belangrijke Westerse diplomaat refereerde onlangs aan het vermeende analytische vermogen van Rabin, maar hij voegde eraan toe dat dat vermogen kennelijk effectief was met betrekking tot het verleden en niets te maken had met de zeldzame gave op toekomstige ontwikkelingen te anticiperen. Een zorgwekkend nieuw verschijnsel van de laatste tijd waren de aanvallen van enige afgevaardigden van de Arbeidspartij in de Knesset op het gedrag van Rabin. Dat één van hen - een jong en welsprekend lid, dat niet beschouwd wordt als iemand die nauwe banden heeft met de "Peres-factie' - het debat in de Knesset over de motie van wantrouwen gebruikte om Rabin en de manier waarop hij zijn kabinet leidt aan te vallen, toonde duidelijk twijfel aan Rabins politiek leiderschap. Die onstuimige jonge politicus beschuldigde Rabin ervan een sfeer van angst in zijn kabinet te zaaien, een beschuldiging die door bijna alle kabinetsleden fel van de hand werd gewezen. Maar hij was niet de enige die de premier kritiseerde. Na hem kwam iemand met gelijkluidende beschuldigingen.

Veel sympathisanten van de Arbeidspartij hebben binnenskamers hun ongenoegen geuit over Rabins arrogante stijl. In het verleden namen premiers er genoegen mee te zeggen "Wij hebben dit gedaan' of "Wij gaan dat doen'. Rabin prefereert het gebruik van het woord ik: "Ik zal navigeren, ik zal beslissen' enzovoort. Het is niet waarschijnlijk dat deze wijze van spreken een leider geliefd maakt bij zijn kiezers.

Vandaag de dag vallen er serieuzere kritische commentaren te beluisteren. Bijvoorbeeld: Men vraagt zich af hoe verstandig het is om in het openbaar te verklaren dat de Palestijnen geen leiders hebben. Zijn er andere, "betere' Palestijnen, vragen zij. De Hamas is inderdaad een volstrekt negatieve organisatie, de leiding van de PLO in Tunis is door Rabin beschreven als "destructief' in de huidige crisis. Het herhaaldelijk belachelijk maken van het Palestijnse leiderschap wordt gezien als een manier om de overhaaste voorspelling van voor de verkiezingen te verklaren dat in zes tot negen maanden een overeenkomst over de autonomie voor de Palestijnen zou worden bereikt. Sommige Palestijnen denken dat Rabins minachting voor het Palestijnse gebrek aan leiderschap deel uitmaakt van een plan ter voorbereiding van, ooit, een gesprek met Arafat. Dat zit er voorlopig niet in.

Er zijn nog geen tekenen die wijzen op een samenzwering om Rabin als leider te vervangen. Wel is er een toenemende bezorgdheid dat, als hij op deze manier leiding blijft geven, er meer uitbarstingen van ontevredenheid en twijfel zullen volgen. Mocht dat het geval zijn, dan hoeven zij niet automatisch een bedreiging te vormen voor Rabins premierschap, maar zij zouden best eens de kansen van de Arbeidspartij om in 1996 een nieuw mandaat te krijgen de grond in kunnen boren. De fundamentele vraag blijft: kunnen zijn ervaring, zijn analytisch vermogen en zijn betrokkenheid bij een pragmatische vredespolitiek hem ertoe brengen voorzichtiger te zijn waar nodig, en minder offensief als dat van levensbelang is? Het lot van zijn kabinet en de toekomst van het land staan op het spel, en alleen Rabin kan zegevieren over Rabin.