Oost-Europa en de EGKS

DE STAALINDUSTRIE in Europa staat voor enorme aanpassingen. In West-Europa zal sanering van de overcapaciteit en de noodzaak verliezen om te zetten in winst leiden tot ontslagen oplopend tot honderdduizend werknemers. De Europese Gemeenschap heeft inmiddels steun toegezegd, 240 miljoen ecu (ruim een half miljard gulden) extra bovenop de 210 miljoen ecu die al was uitgetrokken voor de komende drie jaar, maar dat zal volgens de staallobby onvoldoende zijn om de sociale gevolgen van de crisis op de staalmarkt op te vangen.

De EG zet druk op de staalindustrie en eist geloofwaardige saneringsplannen. Dat is hoog tijd, want de staalconcerns bevinden zich al decennia in een staat van permanente sanering. Technologische vernieuwingen, scherpere milieu-eisen, concurrentie uit grondstoffenlanden, de recessie-gevoeligheid van de vraag en sinds 1990 de concurrentie uit Oost-Europa hebben de staalindustrie opnieuw in ernstige moeilijkheden gebracht. In Duitsland staat het voortbestaan van concerns zoals Krupp-Hoesch en Thyssen op het spel, giganten uit het Roergebied die de loop der geschiedenis mede hebben bepaald.

De staalindustrie van Oost-Europa, die met lage lonen en ongehinderd door milieu-normen produceert, krijgt in West-Europa de schuld voor de crisis toegeschoven. Dat is een onterecht verwijt: de import uit Oost-Europa was vorig jaar niet meer dan vier procent van de EG-markt terwijl de overcapaciteit van de staalindustrie in de EG twintig tot dertig procent bedraagt. Bovendien hebben in de Oosteuropese staalindustrie saneringen plaats van een veel grotere omvang dan in de EG. Na de economische inkrimping als gevolg van de overschakeling naar een markteconomie en na de ineenstorting van de Oosteuropese defensie-industrie heeft de staalindustrie in Oost-Europa haar produktie gehalveerd en is de werkgelegenheid met eenderde teruggebracht. Dat is nog niet voldoende: meer staalcomplexen zullen sluiten, meer staalarbeiders zullen worden ontslagen. Waar het Internationale Staalinstituut tot 1995 stabilistie van de EG-produktie verwacht, zal de staalproduktie van Oost-Europa en de voormalige Sovjet-Unie nog eens met eenderde inkrimpen.

IN 1951 RICHTTEN zes landen - West-Duitsland, Frankrijk, Italië en de Benelux - de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (EGKS) op die een jaar later in werking trad. De kolen- en staalproduktie van deze landen kwam onder het gezag van een supranationale Hoge Autoriteit. Kort na de oorlog was de bedoeling van deze landen om het beheer van de belangrijkste leveranciers aan de wapenindustrie, de steenkolenmijnen en de staalfabrieken, uit de handen van de nationale staten te halen.

De EGKS, die in 1967 opging in het grotere geheel van de Europese Gemeenschap, heeft een bijdrage geleverd aan de integratie van West-Europa, aan de industriële wederopbouw en aan de saneringen in de kolen- en staalindustrie. De instelling bestaat formeel nog steeds en zou een nieuwe rol kunnen spelen bij de hervormingen in de zware industrie van een aantal Oosteuropese landen. Als stap naar verdere integratie van Polen, Hongarije en Tsjechië in de EG kan na de beperkte associatie-verdragen die vorig jaar met deze landen zijn gesloten, het lidmaatschap van de EGKS worden aangeboden.

Oosteuropees lidmaatschap van de EGKS biedt het voordeel dat onderhandelingen over de afzet van Oosteuropees staal op de Westeuropese markt in een institutioneel kader worden geplaatst, waarbij ook steun voor saneringen beschikbaar komt. Voor de Oosteuropese landen geeft het de mogelijkheid op een beperkt maar strategisch terrein nauw met de EG samen te werken. Het is een betere bijdrage aan de hervormingen in Oost-Europa dan beperking van de staalexport naar de EG, want het venster op verdergaande betrekkingen met de EG wordt aldus open gezet.