Met grandeur ontluisteren; Rijke dichtbundel van Hugo Claus

Hugo Claus: De Sporen. Uitg. De Bezige Bij, 96 blz. Prijs ƒ 49,50.

Hoeveel Hugo Clauzen gaan er in Hugo Claus schuil? Het zijn er nogal wat: de dichter, de roman- en verhalenschrijver, de toneel- en scenarioschrijver, de vertaler - en dan hebben we de schilder en regisseur nog niet eens genoemd. En als we ons alleen tot de dichter beperken: hoeveel Clauzen verdringen zich daar? Paul Claes kwam tot vier, in zijn opstel Claus Quadrifrons: hij onderscheidde de animale, de erudiete, de geëngageerde en de ludieke dichter. Vier is een teleurstellend, want net iets te redelijk aantal. Bij een veelzijdig fenomeen willen we er eigenlijk meer - of minder, en dan ook liefst maar één: één oerclaus op wie alle subclauzen teruggaan. Paul Claes leek dat heimelijk ook wel te willen, want hij kon het in zijn nawoord toch niet laten om de vier gezichten van de dichter Claus te herleiden tot één Claus Unifrons, tot wat hij noemt één harde kern: zijn onwrikbare vrijheidsdrang.

Er valt op deze noemer weinig af te dingen, behalve dan dat hij wel erg algemeen is. Misschien zou ”vrijheid' ook wel vervangen kunnen worden door ”liefde' of ”verlangen' of ”taal', als we ons al niet willen laten verleiden tot de meest gemakkelijke oplossing: het wezen van Claus' poëzie is dat zij geen wezen heeft. Ook deze mogelijkheid heeft Claes even overwogen: “Claus is een kameleon,” zegt hij in zijn nawoord.

Ziehier het probleem waarvoor de ware veelzijdige dichter de stukjesschrijver met zijn hokjesgeest stelt. Iedere noemer is te algemeen en iedere onderverdeling houdt iets willekeurigs. Het is dus maar het beste om Claus te nemen zoals hij is: in al zijn veelzijdigheid, per gedicht, achteloos, zonder ons te bekommeren om samenhang. De dichter zelf kan er niet mee zitten: ””Laat het gedicht zich niet schamen/ voor het rijm in lavendel en thijm,/ voor zijn raadsel, zijn klaarte,/ zijn vervoering en zijn vuil,'// sprak hij van lallen moe/ zijn ballen toe'. En die aansporing is dus niet bestemd ”voor katholieke lingusten/ hun staar gericht/ op de manoeuvres in het oeuvre.'

Ongeduld

In zijn nieuwe bundel De Sporen vinden we van alles naast elkaar: lange opsommingen, gelegenheidsverzen, een simpel Vlaams briefje van een droevige zoon aan zijn losbollige vader, een ansicht uit Spanje, een portret van een geile asperge, een reeks van tien manieren om P.B. Shelley te zien, een reeks met metafysische inslag, een acrostichon voor Gerrit Kouwenaar, lijkzangen en liefdesgedichten, wrange herinneringen en ars poëtica's, een gedicht voor Amnesty en de vertaling van een kinderslaapliedje van John Clare. Bondiger kan deze rijke bundel niet worden samengevat. En voor de volledigheid moet er aan worden toegevoegd dat de verschillende genres gemakkelijk door elkaar lopen. Raadsel en klaarte, vervoering en vuil liggen hier, zoals de dichter zelf al zei, naast elkaar - net als trouwens gemakzucht en duisternis, woordspelerij en slordigheid. Misschien moet de veelzijdigheid van Claus wel in verband worden gebracht met zijn ongeduld en zijn schijnbare onverschilligheid. Zeldzaam verschijnsel: een dichter die de indruk weet te wekken zich niet al te druk om zijn poëzie te maken.

Dat lied van mij verdient de naam

van lied niet.

Het zoekt zijn maat, het krijgt

geen toon,

het kwakkelt, hinkt en struikelt

over elke betekenis.

Het wil zeggen dat de sneeuw van

weleer,

dat het brood en de wijn van vroeger,

dat de vrouw onvertrouwd en toch

uitverkoren

er waren in zijn tijd op aarde of niet.

Het lied zegt, ik kan het nog net

verstaan,

dat het staat te sterven van de

dromen.

Hier is een dichter aan het woord die zijn lied geen lied durft te noemen, die de woorden van zijn vers zelf nog net kan verstaan, die zijn lied van alles laat zeggen en er dan op laat volgen: ”of niet'. Zichzelf met een royaal gebaar de nek omdraaien, dat doet Claus graag. ”Dichter' is een lang snerend vers over ouder wordende dichters die in de herfst van hun leven opeens toegankelijk en verstaanbaar worden: ”want hun laatste gereutel moet doorzichtig zijn.' Met de dood voor ogen ”ontdekken de dichters plots/ de bedarende mirakels van goden, aforismen,/ aspirines, tederheden. Voor het eerst kan hun lief/ iets van haar lief met haar lippen lezen.' Maar dan is het al te laat, te laat om in te zien dat de dood al veel langer in hun verzen zat. Het aardige is dat Claus, bij alle sarcasme, weet dat het ook voor hemzelf gegolden heeft en nog steeds geldt.

Moet er dan toch iets overkoepelends over De Sporen worden gezegd, dan is het de toegenomen aandacht voor de ouderdom en voor het opmaken van een balans. De bundel opent met het titelgedicht, een lange opsomming van de sporen van van alles en nog wat: jeugd, liefde, oorlog, poëzie, verdriet, zonder hiërarchie achter elkaar geplaatst. En hij eindigt met vijf ontroerende in-memoriam-gedichten.

Ontluistering, of het nu in leven, liefde of letteren is: er zijn weinig dichters die er zo'n scherp oog voor hebben als Claus. En er zijn er helemaal weinig die zo mooi kunnen ontluisteren, met zoveel grandeur. Zie hem daar eens staan, of liggen, ”die gammele man,/ dat amalgaam van wrok en verlangen'. Hij is ”de rijmelaar' die kan ”pissen tegen het dak van de wereld/ tot het regent op zijn schedelpan.' Hij voelt zijn harnas kraken, maar hij heeft zich gewapend tegen de tijd door niet om te zien. Want ”wie te gretig in het verleden graait/ krijgt het bloed niet vanonder zijn nagels'. En daarom worden er alleen gedachten zonder geheugen losgelaten in zijn reservaat. Daar wordt de dag geplukt en alleen de liefde van vandaag vereerd. Daar zingt men dagelijks ”Het lied van Amadis': een lange reeks van onmogelijkheden (zwarte sneeuw, zuivere lucht, A.A. Gent kampioen) waaraan eerst voldaan moet zijn voordat de dichter zal gaan verzaken ”aan jou, mijn liefde van vandaag.' Laten we dus hopen dat de luchtvervuiling nog een beetje doorzet en dat A.A. Gent zich deze zomer koest houdt op de transfermarkt.