Ik zou nooit vrijwillig uit de partij zijn gegaan; Gesprek met de Oostduitse schrijver Stephan Hermlin

De Oostberlijnse schrijver Stephan Hermlin ziet zichzelf nog altijd als een revolutionaire socialist. Anders dan veel van zijn land- en partijgenoten weigert hij zijn vroegere ideeën te verloochenen. Hermlin zal nooit, zoals sommigen van zijn collega's nu wel doen, zeggen dat hij onder druk van de omstandigheden bepaalde dingen deed of zei. In de tijd dat hij zijn gedichten voor Stalin schreef, geloofde hij ook in hem.

Volgens de Oostberlijnse dichter en essayist Stephan Hermlin (77) zijn de Duitsers op dit moment druk bezig de DDR te demoniseren. Ze stellen het land voor als de bron van alle kwaad, om zo hun eigen lafheid te verbergen. Hij vindt het kenmerkend voor de Duitse onderdanenmentaliteit om nu te doen alsof de overheid van de DDR de Oostduitsers al die jaren in de weg heeft gezeten. Hermlin is ervan overtuigd dat veel van wat er de laatste drie jaar is gebeurd, verklaard kan worden doordat de Duitsers hun schuld aan het Derde Rijk nog altijd niet hebben verwerkt. “De Duitsers hebben een oorlog met vijftig miljoen doden op hun geweten, waarvoor ze door de hele wereld zijn aangeklaagd. Die schuld projecteren ze nu op de vroegere DDR.”

Een gesprek met Stephan Hermlin is in deze dagen van strijd tussen de Duitse schrijvers niet eenvoudig. Nadat hij me aanvankelijk door de telefoon heeft laten weten dat ik welkom ben in zijn huis in de wijk Pankow, wil hij, als ik er eenmaal ben, weten wat eigenlijk de bedoeling is. Hermlin heeft niet veel vertrouwen meer in de pers. Er is de laatste jaren al zo veel over hem geschreven. Hij wordt nooit goed geciteerd en hij merkt ook telkens weer hoe weinig men in het Westen over het leven in de vroegere DDR weet. Hij kreeg nog onlangs een brief van een Westduitse die vroeg of hij na de Wende nu ook Freud ging lezen. Hermlin: “Ik las Freud al in de jaren dertig, in de bibliotheek van mijn vader, maar wat deze vrouw kennelijk niet wist was dat in de DDR zes delen Freud zijn uitgegeven.”

Hij schrijft zijn meningen ook liever zelf op. Wat hij in zijn jonge jaren heeft meegemaakt, heeft hij voor een groot deel al in boeken beschreven, en wat er laatste drie jaar in Duitsland is gebeurd, wil hij nog gaan opschrijven. “Dat onderwerp wil ik voor mijzelf houden, begrijpt u?”

Als we eenmaal in gesprek zijn merk ik dat het vooral Hermlins vrouw is die zich tegen een interview verzet. Ze zit naast ons aan tafel en heeft, zegt ze, een goed oor voor opmerkingen die moeilijkheden kunnen geven. Ze vindt dat haar man veel te makkelijk praat. De helft van het vier uur durende interview blijft ze in de buurt, om in te grijpen als Hermlin te openhartig wordt. Als hij zegt dat de Stasi natuurlijk niet te vergelijken is met de Gestapo, sist ze meteen dat hij dat niet zeggen kan, de lezers zullen denken dat hij de methoden van de Stasi goedpraat.

Een dag voor mijn komst is bekend is geworden dat, behalve Christa Wolf en Heiner Müller, nu ook de Oostduitse auteur Günter de Bruyn heeft toegegeven voor de Stasi te hebben gewerkt. Hij had het gedaan uit angst, heeft hij verklaard. Hermlin wil niet dat zijn oordeel over individuele collega's in de krant komt, hij is zowel met Heiner Müller als met Christa Wolf goed bevriend, maar het is duidelijk dat hij sommige stasi-informanten gebrek aan moed verwijt. Hij had het van de drie kopstukken die de laatste weken door de mand zijn gevallen, ook niet verwacht. “Ik heb er veel met hen over gesproken, maar ze hebben me nooit aanleiding gegeven om dit te veronderstellen.”

Hermlin vertelt dat hij zelf in de jaren zestig jarenlang een reisverbod heeft gehad en in de media werd doodgezwegen vanwege zijn weinig coöperatieve houding, maar hij vindt het vanzelfsprekend dat je zoiets over hebt voor je principes. “Ik heb in de veertig jaar dat de DDR bestond natuurlijk met veel mensen gesproken van wie ik kon aannemen dat ze voor de Stasi werkten, mijn telefoon werd afgeluisterd, maar ik heb me er nooit veel van aangetrokken. Mijn standpunten waren voor iedereen duidelijk.”

Burgeroorlog

De laatste jaren is Hermlin minder op zijn gemak. Hij vreest dat Duitsland aan de vooravond van een nieuwe burgeroorlog staat. Een burgeroorlog waaraan intellectuelen het nodige zullen bijdragen. “Wat men in het Westen te weinig ziet is dat in alle Duitse partijen een afglijden naar rechts is begonnen, ook bij de sociaal-democraten. Er heerst in Duitsland een labiele sfeer, zonder richting, die nog wordt gestimuleerd door het parlementarisme. Elke partij denkt nu al aan de volgende verkiezingen.”

Hermlins positie is op dit moment niet te benijden. Hij ziet zichzelf nog altijd als een revolutionaire socialist en die zijn eenzaam tegenwoordig. Nadat hij in 1947 naar Oost-Berlijn was verhuisd, werd hij in de jaren vijftig een van de boegbeelden van de nieuwe DDR-literatuur. Oostduitse kinderen moesten zijn gedichten op school lezen. Na verloop van tijd raakte hij die positie echter kwijt. In de jaren zestig kwam hij in aanvaring met het regime. In 1962 las hij tijdens een voordrachtavond in de Akademie der Künste gedichten van Biermann en andere dissidenten voor en dat viel niet goed. “Men begon mij in die tijd te zien als een contra-revolutionair.” Uit de verslagen die Hermann Kant, de voorzitter van de Oostduitse schrijversbond, in die tijd aan de Stasi leverde, komt Hermlin naar voren als een hardnekkig dissident. Kant noemt hem "diep vertwijfeld' en "volledig gesoleerd'. Het enige positieve dat er Kant in zijn rapporten van hem weet te melden is dat hij zijn bedenkingen niet naar buiten brengt: “Hermlin buigt voor de partijdiscipline.”

Dat veranderde in 1976. Toen was Hermlin een van de initiatiefnemers van de befaamde protestbrief van twaalf schrijvers tegen de uitwijzing van Wolf Biermann. “Hier in dit hoekje van de kamer hebben we de tekst opgesteld.” Toch is hij ook toen, anders dan veel andere dissidenten, nooit stevig aangepakt. “Ik had iets vóór, wat typisch is voor de DDR: ik was communist en ik had daadwerkelijk tegen Hitler gevochten. Dat dwong in de partij respect af. De meeste SED-ers waren tijdens de oorlog meelopers geweest die pas later communist zijn geworden. Dat waren vaak de ergste betonkoppen, omdat ze zich nog moesten bewijzen.”

Hermlin vocht in 1939 in Frankrijk, in het koloniale infanterie-regiment, tegen de Duitsers. Hij had daar asiel aangevraagd en men had hem gevraagd of hij, als het oorlog werd, dienst wilde nemen. Dat was geen probleem. “Eerst wilden ze me in het vreemdelingenlegioen opnemen, maar dat wou ik niet. Ik zei: als ik dan kapot geschoten moet worden, dan graag in een Franse eenheid.”

Een andere factor die maakte dat Hermlin nooit werd vervolgd was dat hij nooit op de voorgrond trad. “Ik ben geen mens voor het openbare leven. Een dissident als Robert Havemann had ook een verzetsverleden, maar hij timmerde veel meer aan de weg dan ik. Hij was als hoogleraar en filosoof een geboren opvoeder. Hij praatte veel en graag en had invloed op duizenden studenten.”

Anders dan veel van zijn land- en partijgenoten in deze dagen weigert Hermlin zijn vroegere ideeën te verloochenen. Hij zal nooit, zoals sommigen van zijn collega's nu wel doen, zeggen dat hij onder druk van de omstandigheden bepaalde dingen deed of zei. In de tijd dat hij zijn gedichten voor Stalin schreef, geloofde hij ook in hem. “Natuurlijk was ik een stalinist. Dat was iedere communist toen. Ook Robert Havemann, die ik goed heb gekend, was een overtuigde stalinist. Stalin stond destijds aan de top van een land waarnaar we opkeken. De Sovjet-Unie had net de last van een moordzuchtige oorlog moeten dragen en het had die oorlog gewonnen.”

Waarheid

Dat wil niet zeggen dat Hermlin zijn opvattingen nooit gewijzigd heeft. Hij haalt Aüsserungen uit de kast, een Oostduits boek uit 1983, en leest voor hoe hij zich daar van zijn opvattingen uit de jaren veertig en vijftig distantieert. Hij betuigt zijn "schaamte en bitterheid' over wat hij in 1949 over een vervolgde Russische dichter heeft geschreven en geeft toe: "Je kunt zeggen dat ik slecht geïnformeerd was in die jaren, maar ik wilde niet goed geïnformeerd zijn. Ik was bang voor zaken die strijdig waren met dat waarvoor ik stond. Ik stelde me aan de kant van de nestbeschermers.'

“Dat zei ik zes jaar voor de Wende, en dat werd gedrukt in de DDR!” zegt hij als hij klaar is met voorlezen. “Dat kunt u zich misschien niet voorstellen. Veel Westduitsers weten dat niet, en die willen dat ook niet weten. Hoeveel commentatoren duiden mij nog altijd aan als een stalinist! Ik heb weliswaar niet altijd de waarheid geschreven, maar wel wat ik voor de waarheid hield. Daar wilde ik achter komen, en daar heb ik ook mijn best voor gedaan.”

Het feit dat hij nooit zijn SED-lidmaatschap heeft opgezegd, wordt hem nu van verschillende kanten aangerekend. Maar voor hem is zijn houding vanzelfsprekend geweest. “Ik zou nooit vrijwillig uit de partij zijn gegaan.” In de in 1980 gepubliceerde novelle Abendlicht beschrijft Hermlin hoe hij zich in 1931 als gymnasiast van zestien met jeugdig enthousiasme bij de toenmalige communistische partij aanmeldde en hoe hij dat gevoel nooit heeft willen prijsgeven. Hermlin, die uit een gegoede joodse familie stamt, had van de politieke discussies die hij op straat hoorde, het gevoel over gehouden dat hij solidair moest zijn met de arbeiders.

Als ik hem zeg dat in al de 61 jaar die sindsdien zijn verstreken toch genoeg aanleidingen zijn geweest om voor het partijlidmaatschap te bedanken, antwoordt hij: “Voor ons was het vanzelfsprekend om, als je het ergens niet mee eens was, de partij te willen veranderen. Mijn ervaringen hadden me geleerd dat ik de wereld nooit in mijn eentje zou kunnen veranderen. Als een partij daarbij een rol kon spelen, mocht ik daar niet uitstappen.”

Ik vraag hem of een intellectueel niet beter een buitenstaander kan zijn. Hermlin: “U bent duidelijk van een andere generatie dan ik. Nu ligt dat ook anders dan in mijn tijd. Ik geloof nu ook niet meer dat je ergens in moet zitten om de wereld te veranderen. Maar het was nu eenmaal mijn weg om dat wel doen.” Hij gelooft ook niet dat hij zonder zijn partijlidmaatschap een grotere schrijver geworden zou zijn. “Er zijn natuurlijk veel wrijvingen geweest, waarbij ik niet kon schrijven wat ik wilde, maar die heb ik overwonnen.” In Abendlicht schrijft hij over zulke momenten. “Ik voelde dat ik het beste in mezelf zou moeten opgeven, als ik ooit mijn handtekening (onder zijn partijaanmelding, RjM) als ongeldig zou beschouwen, die ik op de middag van een geliefde dag in een geliefde Berlijnse straat gezet had.”

Hermlin heeft nooit hoge functies binnen de partij bekleed. Hij wilde dat niet, en hij is er ook nooit voor gevraagd. Het hoogste dat hij heeft bereikt was cultureel secretaris van de afdeling Frankfurt am Main. “Ze zagen dat ik het niet zou kunnen.” Hij is ook nooit door de Stasi gevraagd om medewerker te worden. “Ze hebben je altijd links laten liggen,” zegt zijn vrouw lachend.

Honecker

Dat neemt niet weg dat hij bevriend was met verschillende mensen uit het hogere partijkader. Zo kent hij de vroegere partijsecretaris Erich Honecker nog uit de jaren dertig, toen ze beiden in Berlijn in een illegale jongerengroep van de KPD zaten. De karakterisering die hij van zijn jeugdvriend geeft, vindt hij niet geschikt voor publikatie, maar iets over hun vriendschap is te vinden in een interview dat onlangs in de Berlijnse krant Der Tagesspiegel stond. Hermlin vertelt daar hoe hij Honecker de afgelopen jaren verschillende keren om een onderhoud heeft gevraagd, wanneer er iets gebeurde waar hij het niet mee eens was. Honecker ging daar altijd op in. Vroeg Hermlin om bepaalde boeken te laten verschijnen of om iets te ondernemen voor gevangen genomen collega's, dan deed Honecker dat. “Hij stelde me zelden teleur.”

Het is een verhaal dat gemengde gevoelens opwekt. Het is mooi dat iemand wat voor zijn vrienden doet, maar het is ook griezelig. Wat, als Hermlin zich niet voor je inspande? Zijn praktijk van voorspraak betekende in de praktijk dat hij, door zijn relaties, mede kon bepalen wat er wel of niet verscheen, en dat hij uitmaakte hoe gevangen schrijvers behandeld werden.

Als ik Hermlin mijn twijfels voorleg, reageert hij hulpeloos. “Onder omstandigheden zijn zulke dingen nodig. Zo gaan de dingen toch? Zo is het vroeger ook altijd gegaan. U vergeet dat 90 tot 95 procent van de wereldliteratuur geschreven is onder censuur. De DDR is wat dat betreft geen uitzondering. Vroeger hadden Duitse drukkers altijd eerst toestemming nodig van de keizer. Veel mensen weten dat niet meer omdat ze de geschiedenis niet kennen.”

Stephan Hermlin heeft een deel van zijn eigen geschiedenis beschreven in zijn autobiografische werk. Maar hij kan daar nog heel wat aan toe voegen. Hij vertelt hoe hij in 1935, kort nadat Hitler het verdrag van Versailles had opgezegd, werd aangeworven voor de eerste lichting van de Wehrmacht. Omdat hij jood was, was het uitgesloten dat hij ooit daadwerkelijk voor Duitsland zou kunnen vechten. Hij werd daarom vanwege de "bijzondere omstandigheden' ingedeeld als "vervangings reserve tweede rang'. Hermlin: “Dat klinkt als iemand die misschien nog eens de wc's zou mogen schoonmaken.”

Omdat het hem als jood en communist te gevaarlijk werd verliet Hermlin zijn geboorteland in 1936, en via Oostenrijk en Griekenland belandde hij in Egypte en Palestina, waar hij illegaal werk deed voor de communistische beweging. Volgens Hermlin ging het meestal om eenvoudige bezigheden: informatie verzamelen, pamfletten verspreiden, leuzen schilderen. Hij was in die tijd statenloos en reisde met een Brits paspoort voor statenlozen. Hij logeerde veelal bij partijgenoten. Tijdens de Spaanse Burgeroorlog reed hij aan het republikeinse front op een ziekenauto. Daarna stak hij de Franse grens over waar hij politiek asiel aanvroeg.

Na de oorlog werkte Hermlin in Frankfurt bij de Frankfurter Rundschau en de voorloper van de Hessische Rundfunk. In die functie versloeg hij onder meer de processen tegen Göring en Hess in Neurenberg. De schrijver Golo Mann beweert in het boek Stephan Hermlin: Texte Materialiën Bilder dat Hermlin in Frankfurt een communistische cel probeerde op te zetten, maar als ik hem met deze beschuldiging confronteer, reageert hij verbaasd. “Golo Mann is een zeer conservatieve man. Van de hele familie Mann is hij altijd de meest rechtse geweest. Hij heeft een panische angst voor communisten en ziet in mij een griezelige revolutionair.” In werkelijkheid was Hermlin, zo zegt hij, altijd een loyale burger. “De Amerikanen vonden het juist goed dat er communisten bij de krant en de radio werkten. De bezettingsmacht had zich verplicht om in de media vertegenwoordigers van alle vier de toegestane partijen te laten werken en men vond het prettig om mij daar als communist te hebben.”

Weinig steun

Hermlin ziet de huidige ontwikkelingen in het oosten van Duitsland met zorg aan. “De cultuur van de oude DDR gaat nu snel te gronde, dat merken ook de schrijvers. Het is verbazend hoe weinig steun onze intellectuelen op dit moment ervaren van hun westerse collega's. Rolf Hochhuth en Günter Grass zijn eigenlijk de enigen die zich solidair met ons hebben verklaard.” Hij ergert zich er ook aan dat velen nu het fascisme en het communisme op één hoop gooien. “Dat Stalin een terreurregime heeft ingericht, behoeft geen betoog, dat was verschrikkelijk. Maar veel slachtoffers, vooral die uit de jaren 1937-1938, waren zelf communisten. Dat betekent dat je het stalinisme anders moet behandelen. Een ander verschil is dat de Duitse terreur alleen gebroken kon worden door tegenstanders, de terreur van Stalin werd gestopt door de communistische partij van de Sovjet-Unie. In 1956, na het twintigste partijcongres, zijn miljoenen mensen uit de kampen bevrijd.”

Ik vraag hem of de nazi's niet hetzelfde gedaan zouden hebben als ze veertig jaar aan de macht waren geweest. Hermlin: “Na veertig jaar zou er niemand meer over zijn geweest om het systeem te humaniseren. De uitroeiing zou volledig zijn geweest.” Hij vertelt wat hij als verslaggever bij de Neurenberger processen meemaakte. Er werd aan de aangeklaagden gevraagd of de Duitsers uit waren op de fysieke vernietiging van de Polen. “Ze gaven het lachend toe.”

Literatuur:

Stephan Hermlin: Abendlicht, Berlin 1979.

Stephan Hermlin: Aufsätze, Reportagen, Reden, Interviews, München 1980.

Stephan Hermlin - Texte, Meterialien, Bilder, Leipzig 1985.

Karlo Corino: Hermann Kant als Mitarbeiter der Stasi. In: Europäische Ideen, Heft 81, 1993.

Günter Kaindlstorfer: Gespräch mit Stephan Hermlin. Der Tagesspiegel 9-2-1993.