Het leven houdt gewoon op in Angola

Vandaag begint in Addis Abeba een nieuwe ronde vredesbesprekingen tussen de Angolese regering en de oppositiebeweging UNITA. De burgeroorlog in Angola woedt intussen verder.

LUENA, 26 FEBR. Als een baksteen laat de Russische piloot zijn toestel boven de plaats Luena van grote hoogte uit de lucht vallen. Met een flinke klap raakt de Antonov, die door het Wereldvoedselprogramma van de Verenigde Naties (WFP) is gecharterd, de startbaan. De onzachte landing komt het vliegtuig op twee lekke banden te staan.

De piloten van de WFP-toestellen moeten hun toevlucht tot dit soort toeren nemen, omdat UNITA-strijders die Luena belegeren, af en toe schieten op de vliegtuigen met hulpgoederen voor Luena. Vorige maand werd zo een WFP-toestel geraakt in een motor; ternauwernood slaagde het er in de luchthaven veilig te bereiken. Sinds half januari is Luena, dat zo'n achthonderd kilometer ten zuidoosten van de Angolese hoofdstad Luanda ligt, afgezien van vliegtuigverbindingen van de buitenwereld afgesloten.

Nadat de regeringstroepen de UNITA begin januari uit de stad hadden verdreven, herstelden de mannen van Jonas Savimbi zich en begonnen met een beleg rondom Luena. Op het ogenblik is de toestand er precair. “We hebben te kampen met een schrijnend tekort aan voedsel, aan medicijnen en aan brandstof”, zegt generaal Joao Ernesto dos Santos, de militaire gouverneur van de provincie Moxico waarvan Luena de hoofdstad is. “Bovendien hebben we geen stromend water meer. Zonder al die dingen houdt het leven gewoon op”, zegt Dos Santos.

De meeste ontberingen moeten de ongelukkigen doorstaan die gewond in een ziekenhuis in Luena terecht komen. Ziekenhuis is een groot woord, het gaat om een complex dat tot voor kort dienst deed als kazerne en nu zeer provisorisch als hospitaal is ingericht. In een duister vertrekje ligt op een gammel bed een jongen van elf jaar die even buiten Luena op een landmijn is gestapt. Het kostte hem zijn rechteronderbeen. Met zijn stompje ligt hij nu onder een rafelige deken op een ruwe, gore matras zonder lakens. Op de matras vormen zich vlekken van het bloed dat door het verband heensijpelt.

Naast de jongen ligt op net zo'n matras een man met een ingevallen borstkas die onlangs, eveneens door een landmijn, zijn linkervoet heeft verloren. Hij kreunt onophoudelijk. De vloer onder de bedden is bedekt met geronnen bloed.

Pag 4: Artsen zijn er niet meer in Luena

De stank in het vertrek is misselijkmakend. Een eventuele schoonmaak wordt bemoeilijkt door het feit dat de waterleiding het niet meer doet. Artsen zijn er niet meer, die hebben al in januari de benen genomen. De behandeling wordt nu zo goed en zo kwaad als het gaat waargenomen door militaire verplegers. Ook de voedselvoorziening voor de patiënten is zeer pover. De familie van de gewonden en zieken wordt geacht de patiënten van eten en drinken te voorzien. Wie geen familie heeft kan, als het meezit, nog wat krijgen van het WFP. Ook dat beschikt echter maar over beperkte voorraden. Een team van het Internationale Rode Kruis, dat in Luena op bezoek is, bevestigt dat de toestand in het "ziekenhuis' zelfs naar de bescheiden Afrikaanse maatstaven bedroevend is.

De voedselsituatie in het stadje wordt steeds problematischer, temeer omdat zo'n zeventigduizend vluchtelingen uit omringende dorpen er een goed heenkomen hebben gezocht. Het krioelt van de mensen in het anders zo rustige provincieplaatsje met zijn brede, beboomde lanen en eenvoudige villa's uit de Portugese koloniale tijd.

“Ik heb al in geen vijf dagen een echte maaltijd gehad”, klaagt een jongen, die eind vorig jaar als vluchteling uit Zambia terugkeerde maar begin januari door het opflakkeren van de strijd in Luena strandde. “Ik heb samen met mijn familie wel geprobeerd om uit Luena weg te komen, maar we liepen al gauw vast en zijn toen maar weer teruggegaan.”

Met zijn familie bivakkeert de jongen nu in een bankgebouw. De meeste kantoren en openbare gebouwen zijn tijdelijk ingericht voor de opvang van vluchtelingen. 's Avonds liggen zij er mannetje aan mannetje op de vloer. Ook het keurige Hotel Luena heeft een gedaanteverwisseling ondergaan: er verblijven nu niet minder dan 2500 vluchtelingen. Al bij de ingang wordt de verandering duidelijk. Waar eens de receptie huisde, staat nu een getto-blaster die bezoekers met vrolijke, zij het zeer luidruchtige muziek ontvangt. In de eetzaal zijn de tafeltjes opzij geschoven en stoken veel vluchtelingen omringd door ontelbare kindertjes op de stenen vloer een vuurtje, waarop zij een karige maaltijd koken van het weinige dat zij die dag hebben weten te bemachtigen.

Afgelopen zaterdag kwamen er plotseling weer ruim zesduizend vluchtelingen bij uit het dorpje Sakasange, zo'n veertien kilometer buiten Luena. Daar doken UNITA-strijders op die te sterk waren voor de regeringsmilitairen die daar waren gelegen. Nadat een oude man en een jongen waren gedood, vluchtten de meeste bewoners in paniek, met achterlating van bijna al hun spullen. Zij zijn voorlopig in een school ondergebracht.

De komst van de talrijke vluchtelingen heeft de voedselprijzen op de markt als een raket omhoog gejaagd. Een kilo rijst kost 60.000 kwanza's (ongeveer tien gulden). Een blikje bier brengt 40.000 kwanza's op. Voor de gewone man of vrouw zijn dat duizelingwekkend hoge bedragen. Uitgeteerde mensen als in Somalië zijn nog niet te vinden.

Luena zelf heeft tot nu toe relatief weinig schade aan zijn huizen opgelopen. Anders dan in bij voorbeeld Huambo, waar de gevechten voortdurend midden in de stad woeden, hebben de meeste gevechten zich buiten de plaats zelf afgespeeld. Daardoor is het dodental er ook veel geringer dan in Huambo, waar de afgelopen weken naar verluidt al ruim zesduizend doden zijn gevallen. In Luena en omgeving loopt het aantal slachtoffers hooguit in de honderden. Slechts hier en daar staat in Luena een gebouw dat door de strijd geheel geruïneerd is. Wel zitten talrijke gebouwen vol met kogelgaten en hebben sommige mensen hun huis met zandzakken versterkt. De bewoners uit de buitenwijken, die het de laatste weken verschillende malen hebben moeten ontgelden, zijn naar het veiliger centrum getrokken, waar zij bij voorkeur in grote, sterke gebouwen overnachten. Op sommige plaatsen, onder andere voor het WFP-kantoor, zijn metersdiepe kraters ontstaan door inslaande mortiergranaten.

De laatste serieuze aanval op de stad dateert van tien dagen geleden. Sindsdien vallen er slechts af en toe in de verte schoten. Dinsdagavond werd het getsjirp van de krekels in de tropische nacht plotseling ruw verstoord door kanongebulder. De hemel werd rood van de lichtspoormunitie. Bij navraag de volgende dag bleek dat het in dit geval niet om vijandelijkheden tussen regeringstroepen en UNITA ging. De regeringstroepen hadden het vuur geopend op een vreemd vliegtuig, dat onaangekondigd boven Luena vloog.

De bevolking van Luena snakt naar het einde van de oorlog. Als regering en UNITA een nieuw bestand sluiten, kan misschien eindelijk het station weer open. Met zijn zwierige perronsoverkapping en mooi betegelde wachtkamer was het eens de trots van Luena en een belangrijke verbindingsschakel tussen het mijngebied van de Zaïrese provincie Shaba (Katanga) en de Angolese kustplaats Benguela. Door de burgeroorlog is het echter al tien jaar dicht. De rails zijn met welig, tropisch gras overwoekerd, verscheidene wagons geheel verroest. Ook in de wachtkamer komt het verval van Luena tot uiting, het ligt er vol menselijke uitwerpselen.