Het geurfeest

Samen zijn we uitgegaan en samen zullen we thuiskomen. Dat weet ik zeker. Hoe lang het zal duren weet ik nooit. Soms lopen we maar door. Steeds andere pleinen en straathoeken, bruggen en grasvelden, goten en putdeksels.

Het gebeurt ook wel dat we onmiddellijk rechtsomkeert maken. Dan valt er heel veel water naar beneden. Net van huis en al weer terug naar die saaie vloer. Water dat ik anders alleen maar drink.

't Is onze vaste wandeling op de dag dat iedereen laat opstaat. Dan doen ze eerst iets op m'n hoofd en m'n rug. Ik heb nooit begrepen waarom. Eerst dacht ik: het is tegen de kou. Maar als het snikheet is loop ik er ook zo bij.

Met dat raadsel moet ik leven. Het hindert niet. Door de week ben ik gelukkig naakt. Als al dat water valt is het ook wel weer prettig dat ze iets om me heen hebben gedaan.

Nu staan we stil. Ze kijken naar iets wat ik niet kan zien. Dan wacht ik maar. Het zal ook wel moeten. Als ik te ver van ze af raak trekt een arm me meteen weer terug.

Toch ben ik heel tevreden. Het zal vast wel mooi zijn wat zij meemaken. Maar ik mis het niet. Wat ik zoek is vlak bij de grond. Die is zelfs voor m'n kameraad met die hoge poten meestal te ver.

Ik hoef m'n kop maar te buigen en het begint al. Wie hebben hier niet allemaal gelopen. Ik ruik hun spoor. En wat wordt er niet weggegooid. Het spannendste zoet ligt vlak bij het zout dat me aan vlees doet denken. In de zachtste modder zit een geurfeest dat ik met gemak ontdek.

Gooit u ooit iets weg? Vlug scharrel ik er naartoe. Ik ben de geurenvanger, de ontdekker van alles dat op het punt staat te verdwijnen.

Laat me nu maar. Vandaag is er nog veel te doen. Als dat water tenminste niet gaat vallen.