Grote werken voor weinig Fransen; Het hoogdravende cultuurbeleid van minister Jack Lang

Michel Schneider: La Comédie de la Culture. Uitg. Seuil, ƒ 38,70.

Marc Fumaroli: L'Etat culturel, Essai sur une religion moderne. Uitg. Editions de Fallois, ƒ 51,15.

Een Zeer Grote Bibliotheek, een centrum voor de tekenfilm, een onderscheiding voor Arnold Schwarzenegger, het zijn enkele van de vele resultaten die twaalf jaar socialistisch cultuurbeleid in Frankrijk hebben opgeleverd. Sinds Jack Lang minister is, is het aanbod aan cultuur in Frankrijk verveelvoudigd. Toch gaan de Fransen niet meer naar theater en musea dan voorheen. “De democratisering is mislukt.”

“Parijs, hoofdstad van de beeldende kunsten? Je moet Parisien zijn om het te geloven. Kijk liever naar New York, Bazel of München. Literaire hoofdstad? Ja, zestig jaar geleden. Hoofdstad van de muziek? Vraag het eens aan de grote dirigenten, die alleen voor een hoge prijs bereid zijn om onze orkesten te leiden (-). Buiten onze grenzen wekt de Opera Bastille geen afgunst op, maar lachlust of droefenis.” Deze citaten zijn ontleend aan La Comedie de la Culture, een onlangs verschenen essay van Michel Schneider waarin de auteur de staf breekt over het beleid van Jack Lang, sinds 1981 op twee jaar na onafgebroken minister van Cultuur.

Schneider was van 1988 tot 1991 directeur van de afdeling Muziek en Dans van het Franse ministerie met het kleinste budget en de langste naam - "van Cultuur, Communicatie, Grote Werken en de Bicentennaire de la Révolution' (de tweehonderdste verjaardag van de Revolutie die in 1989 met pracht en praal werd gevierd). Nadat hij zich sinds zijn benoeming elke dag had afgevraagd wat een dergelijke naam wel zou kunnen betekenen, nam Schneider in april 1991 ontslag. De aanleiding was een feestje dat Lang driehonderd politieke en culturele relaties in Versailles aanbood om tien jaar socialistisch cultuurbeleid te vieren. Na een opvoering van Apollon et Daphné en een souper stapte de directeur Muziek en Dans op. “Nooit eerder had ik een indruk van valsheid als op die avond: het huwelijk tussen de democratische staat en de Cultuur liet een weinig culturele staat en een weinig democratische cultuur zien.”

In zijn Comédie analyseert Schneider vanuit een links gezichtspunt de periode-Lang in de Franse cultuur. Een jaar geleden gaf Marc Fumaroli, professor in de Europese ideeëngeschiedenis aan het Collège de France, in het boek L'Etat culturel kritiek op de periode-Lang vanuit zijn academische perspectief. De twee auteurs delen de opvatting dat cultuur geleerd moet worden, dat toekomstige lezers, toeschouwers en toehoorders op school gevormd worden. "Kultur ist, was gelebt wird', citeert Schneider de Duitse schrijfster Christa Wolf. Hun gemeenschappelijke kritiek op het cultuurbeleid in de periode-Lang: het onderwijs, dat een sleutelrol zou moeten spelen in het cultuurbeleid, bevindt zich een diep dal. Met een groter aanbod aan cultuur kan de staat niet volstaan - terwijl dat wel is wat Lang en de socialisten volgens deze critici hebben gedaan.

Vernieuwingsdrang

Een politieke cultuurkritiek kan in eerste instantie beperkt blijven tot de vraag wat er terecht gekomen is van de missie die Lang zag toen hij in 1981, na de overwinning van de socialisten, aantrad als minister van cultuur. In een decreet van 10 mei 1982 omschreef hij de doelstellingen van zijn beleid als volgt: "alle Fransen in staat stellen hun vernieuwingsdrang en creativiteit te cultiveren; instandhouding van het culturele erfgoed (-); het bevorderen van de schepping van kunstwerken (-); bijdragen aan de uitstraling van de Franse kunst en cultuur in de vrije dialoog van de culturen van de wereld.'

De tiende verjaardag van het socialistische cultuurbeleid werd behalve met het partijtje in Versailles ook gevierd met de publikatie van een balans door het ministerie. In elf glanzende brochures, met een gewicht van dik twee kilo, moeten statistische gegevens bewijzen dat zich in de periode-Lang in Frankrijk een uitbarsting van culturele activiteiten heeft voltrokken. Eén cijfer illustreert de omvang voldoende: de uitgaven van het ministerie stegen van 0,46 procent van de staatsbegroting in 1981 (drie miljard francs) tot 0,95 procent in 1991 (ruim twaalf miljard francs). De symbolische grens van een procent, die de socialisten in 1981 in het vooruitzicht stelden, wordt dit jaar voor het eerst overschreden.

Als voorbeeld van het bevorderen van het scheppen van uitmuntende kunstwerken wordt in de publikatie het project Grand Louvre met de inmiddels niet langer omstreden piramide van Pei genoemd. Het Feest van de muziek, dat jaarlijks in Parijs en talrijke andere Franse steden plaats vindt en inderdaad enorme massa's belangstellenden trekt, wordt als het beste bewijs opgevoerd dat Lang de cultuur voor meer mensen toegankelijk heeft gemaakt.

Bloedworst

De periode-Lang valt in twee delen uiteen. De eerste jaren na zijn aantreden in 1981 zette de voormalige hoogleraar in de rechten (specialisatie: zeerecht) de deuren open. Voor talrijke vormen van kunst en cultuur - theater, beeldende kunsten, ballet, muziek, de bescherming en restauratie van historische monumenten - kwam steeds meer geld beschikbaar. Mede dank zij Langs subsidies (3,2 miljard francs in tien jaar) is Frankrijk het enige Europese land dat nog een filmindustrie van althans kwantitatieve betekenis heeft. Talloze scholen en instituten werden in het leven geroepen, van een Nationaal striptekencentrum in het slaperige Angoulème tot de Nationale Raad voor de culinaire kunsten, die doende is met een "Monumentale inventaris van regionale produkten', waarvan het eerste deel (over de bieren en bloedworsten van de regio Nord-Pas de Calais) vorig jaar is verschenen.

Geen enkele groep cultuurmakers en -consumenten werd vergeten. Voor 1981 had men in de gangen van het ministerie in de Parijse Rue de Valois nog nooit een rocker gezien. De Beatles waren toen al lang Members of the British Empire. De rockers kregen met het Zenith in La Villette (6000 plaatsen) in 1985 een zaal met een akoestiek die ook Jean-Marie Le Pen bevalt. Met de Fêtes du Cinema (een dag film kijken voor de prijs van één toegangskaart) en de "Fureur du lire' wordt de jeugd aangemoedigd zich niet tot Nintendo te beperken. Onder het motto dat alles de moeite waard is werden zelfs "taggers', zoals graffiti-spuiters in Frankrijk worden genoemd, uitgenodigd hun vaardigheden op kosten van het ministerie te demonstreren en kreeg de Hollywoodse vechtersbaas Arnold Schwarzenegger een mooie culturele onderscheiding.

Cultuur is meer dan ooit een belangrijke sector van de Franse economie, stelt het ministerie in zijn balans tevreden vast. Meer dan 800.000 Fransen hebben een baan die met culturele activiteiten is verbonden. De jaarlijkse "omzet' aan cultuur (de term is van Langs ministerie) bedraagt ongeveer 160 miljard francs, hetgeen overeenkomt met 3,5 procent van de bruto nationaal produkt. Alleen al in de eerste vier jaren van Langs ministerschap (1981-1984) werden 8000 arbeidsplaatsen voor dansers, acteurs, archeologen etc. geschapen. Mecenaat en sponsoring zijn actief ontwikkeld.

Prins

De tweede periode-Lang, die in 1988 begon, is vooral bepaald door de politieke controverses over de Grote Werken van president Mitterrand. Jack Lang werd meer dan voorheen een "prins' in een "presidentiële monarchie' die monumenten voor eigen glorie bouwt. De uitbreiding van het Louvre, dat dit jaar zijn tweehonderd jaar als museum viert, met de Richelieu-vleugel (21.500 m²) is onomstreden. De Grande Arche in La Défense is geaccepteerd. Twee andere projecten zijn nog steeds controversieel, de "très grande' Bibliothèque de France (TGB) in Tolbiac in het oosten van Parijs en de Opéra Bastille, waar Mitterrands schatrijke vriend Pierre Bergé president-directeur is.

Aan de TGB - kosten tenminste 6,2 miljard francs - wordt hard gewerkt: Mitterrands ambtsperiode als president eindigt in 1995 en dan zouden de vier zestig meter hoge torens waarin onder andere twintig miljoen boeken uit de Bibliothèque Nationale zullen worden opgeslagen, bij voorkeur gereed moeten zijn. De Opera Bastille (bouwkosten: een miljard gulden), die in 1989 werd geopend, lijkt als de megalomane mislukking van het mitterandistische cultuurbeleid de historie in te zullen gaan. De president van de republiek zal daar wellicht niet om treuren omdat hij de lyrische zangkunst verafschuwt en na het aanhoren van één akte uit Othello nooit meer in het gebouw is teruggekeerd. Maar de Franse belastingbetaler des te meer.

De beheerders van de mastodont aan de Place de la Bastille hebben te maken met 300 miljoen gulden exploitatiekosten per jaar, wat exorbitant is voor een instelling die minder programma's brengt dan de bescheiden opera van Montpellier. De Bastille werd opgetrokken om ook de gewone Fransman die het oude Palais Garnier wellicht niet binnen durfde, in staat te stellen de opera te bezoeken. Maar omdat het aantal goedkope kaartjes (50 francs) al slinks is verminderd en de weinige voorstellingen (slechts 110 in 1992) maar niet beter worden, lijkt de Bastille vooralsnog gedoemd voort te bestaan als symbool voor het weinig geslaagde huwelijk tussen cultuur en de politiek die glorie in monumenten zoekt. De TGB en de Bastille zullen jaarlijks twee miljard francs van de Cultuurbegroting opslokken, een forse erfenis voor de bewindsman die Lang zal opvolgen.

Navolging

De Grote Werken zijn overigens niet alleen een mitterandistisch verschijnsel. Ook Pompidou, met één project (Beaubourg) en Giscard d'Estaing met drie (Cité des sciences et de l'industrie in La Villette, Musée d'Orsay en Institut du monde arabe) hebben hun plaats in de geschiedenis als bouwheren verworven. En het voorbeeld van de presidenten is in geheel Frankrijk nagevolgd. Er is geen stad van enige omvang, socialistisch bestuurd of niet, waar de afgelopen tien jaar geen museum, cultureel centrum of een of ander gerestaureerd "cultureel erfgoed' in gebruik is genomen, vaak met financiële steun van het ministerie van Cultuur. Alleen al het aantal musea dat sinds 1980 is geopend of nog in aanbouw is, wordt op vierhonderd geschat. Steden willen zich verkopen, hun lokale economie versterken en - culture oblige - een museum mag dan niet ontbreken.

Frankrijk telt nu 1200 musea waarvan 34 nationale zoals het Louvre, die onder een directie (Musées de France) vallen. Er zijn 34 musea over wijn en druiven, vijf over zout, twaalf over visserij, 42 over verzet en deportatie. Er zijn kleine, zoals het Museum van de camembert in Vimoutiers en grote, zoals het nog niet voltooide museum voor moderne kunst in Grenoble, dat met een oppervlakte van 18.000 m² en een collectie van Rubens tot Sol Lewitt tot de Europese eredivisie wil behoren. En er zijn "witte olifanten' zoals de Opera Bastille in Parijs en het Frans-Japanse museum in Nice, 2500 m² expositieruimte, totale stichtingskosten 25 miljoen gulden, maar nog steeds leeg omdat er geen akkoord is over wat er geëxposeerd zou moeten worden.

"Per slot van rekening is alles cultuur. Jack Lang heeft gelijk', schreef Francois Mitterrand in 1988 in zijn "Brief aan alle Fransen', zijn programma voor de presidentsverkiezingen in dat jaar. Zijn de Fransen na twaalf jaar cultureel staatsactivisme, na een enorme uitbreiding van het aanbod en na de "linkse' democratisering, nu cultureler dan ze waren? Het antwoord op deze vraag is gegeven in een onderzoek van Langs ministerie, "De culturele praktijken van de Fransen 1973-1989', dat in 1990 werd gepubliceerd. De cijfers in dit rapport zijn dramatisch: net zoals in 1973 had in 1989 76 procent van de Fransen nog nooit een dansvoorstelling bijgewoond, 71 procent was nimmer bij een klassiek concert, 55 procent zag nooit toneel in een theater en 51 procent had nog nooit een expositie bekeken. "De democratisering is mislukt', constateerde het ministerie laconiek en liet alles bij het oude. De klassieke culturele "praktijk' (theater-, concert- en expositiebezoek) blijft voorbehouden aan dezelfde elite als in 1973. De uitspraak van Flaubert dat kunst een luxe is, geldt nog steeds.