Ex-Joegoslavië dreigt proeftuin Europa te worden

Belgrado - Twee hoofdrolspelers in de internationale bemoeienis bij de Joegoslavische burgeroorlog hebben deze week opmerkelijke uitspraken gedaan. “Er is geen reden”, zei de scheidende commandant van de vredesmacht van de Verenigde Naties, Satish Nambiar, “waarom mannen en vrouwen uit verre landen het leven zouden moeten laten terwille van gemeenschappen die zelf niet de bereidheid vertonen, met elkaar tot een vergelijk te komen.” Een krachtiger pleidooi tegen internationale militaire interventie of andere militaire bemoeienis in ex-Joegoslavië is in het openbaar zelden vernomen.

Niet minder opmerkelijk was een uitlating in een programma van het Amerikaanse televisiestation CNN van Lawrence Eagleburger, tot voor kort de Amerikaanse minister van buitenlandse zaken en zeer goed ingevoerd in Joegoslavische aangelegenheden, onder andere doordat hij in Belgrado ambassadeur is geweest. “Je kunt het nauwelijks hardop zeggen”, zei hij met zichtbare aarzeling, “maar sommige problemen laten zich niet oplossen”. Misschien was de enige mogelijkheid, achteraf gezien, geweest om de partijen binnen Joegoslavië te dwingen tot onderhandelingen voordat zij uit elkaar gingen, aldus Eagleburger. Maar ja, in 1991 zou zo'n conferentie toch nooit tot stand zijn gekomen, daar tussen de VS en Europa, en tussen de Europese staten onderling, omdat over dit onderwerp grote verschillen van mening leefden.

Dat een buitenlandse militaire bemoeienis vermoedelijk wel tot veel slachtoffers, maar tot weinig resultaten zal leiden, is onder degenen die zich bijvoorbeeld als militair of als diplomaat van dichtbij met de gang van zaken in ex-Joegoslavië bezig houden bijna communis opinio. De voornaamste reden is die waarop Nambiar zinspeelt: alle oorlogspartijen, misschien vooral naarmate hun positie militair-tactisch hopeloos lijkt, leggen een schijnbaar onverwoestbare, haast irrationele strijdlust aan de dag.

In wisselende configuraties betonen zij zich voorstander van buitenlandse interventies, de komst van vredestroepen of voedselkonvooien, of onderhandelingen - maar toch vooral als pionnen in hun spel, gericht op de uiteindelijke, militaire overwinning. Er zijn voorbeelden te over. Enkele recente: de verraderlijke wijze waarop Kroatische troepen onlangs VN-troepen onder mortiervuur hebben gelegd, opdat met een militair succesje tegen de Serviërs de regerende partij in Kroatie bij verkiezingen haar macht kon bestendigen. De manier waarop de Serviërs in Kroatie diezelfde vredestroepen hebben gezien als een middel om, geheel in strijd met de akkoorden, op Kroatisch grondgebied een Servische staat te bestendigen. De manier waarop de regering in Sarajevo oordeelde de internationale voedselhulp aan de eigen bevolking te kunnen stopzetten, om met een soort van bovenaf opgelegde hongerstaking een voorwendsel te hebben verdere vredesonderhandelingen onder auspiciën van de VN te boycotten.

Na de van beide zijden met een zekere terughoudendheid gevoerde strijd in Slovenië, lijken vanaf juli 1991 alle remmen los voor de oorlogspartijen in Kroatië en Bosnië-Herzegovina. Het begon met het stelselmatig misbruiken en beschieten van Rode Kruis-symbolen, en het eindigde met de wetenschap dat het voor buitenlandse waarnemers geen enkele zin heeft in ex-Joegoslavië bestanden af te sluiten, daar de contractpartijen zich binnenskamers rot lachen over de waan dat een handtekening of een gegeven woord een zekere intrinsieke waarde heeft.

De belevenissen van de vredesmacht UNPROFOR, van de VN-hulporganisatie UNHCR, de Europese waarnemers, het Internationale Rode kruis en een groot aantal andere getuigen van het wapengeweld vormen de beste les voor een denkbeeldige interventiemacht: iedereen schiet op je, iedereen ziet je als vijand, iedereen probeert je te betrekken in ingewikkelde machinaties en intriges. Iedereen meent ook daarop een recht te hebben, niet alleen omdat voor verwezenlijking van de eigen, onwrikbare oorlogsdoeleinden elk middel geoorloofd is, maar ook op grond van een uit de Tito-tijd stammende overtuiging, dat Joegoslavië het centrum van de wereld is en dat de rest van de wereld gehouden is zich daarmee actief bezig te houden.

De conflictpartijen in Joegoslavië willen de oorlog, er is geen andere conclusie mogelijk. En daaruit vloeit een permanent misverstand voort tussen de ex-Joegoslaven en de rest van de wereld, die geneigd is oorlog niet langer als een geoorloofd, of althans wenselijk middel tot beslechting van conflicten te zien. De relatieve futiliteit van de buitenlandse vredesinspanningen in ex-Joegoslavië, vanaf het door de Slovenen slechts deels uitgevoerde akkoord van Brioni, zijn tot dit misverstand te herleiden. Nambiar en Eagleburger hebben dit feilloos begrepen.

De conclusie ligt voor de hand: een hek erom heen en een paar jaar wachten of er nog iemand overblijft in ex-Joegoslavië - een crue maar veel gehoorde metafoor onder getergde waarnemers of militairen. Maar het kan nog erger: als diverse buitenlandse mogendheden, zonder de pretentie te hebben daadwerkelijk een bijdrage te kunnen leveren aan beëindiging of beperking van de oorlog, nationale hobby's gaan uitleven in hun benadering van Joegoslavië.

Dit gebeurt in toenemende mate en doet denken aan de situatie aan het begin van deze eeuw, toen de Europese grootmachten de Balkan-oorlogen zagen als een welkome proeftuin voor hun diplomatieke spelletjes en nieuwe militaire technologie. De inzet is nu een andere - de publieke opinie thuis, die begrijpelijkerwijze ontzet is over de gruwelen die uit ex-Joegoslavië dagelijks de media worden ingezonden. Soortgelijke wandaden en gruwelijkheden in de Kaukasus of Tadzjikistan kunnen worden genegeerd, omdat deze streken zich grotendeels buiten de ervaringswereld van de buitenlandse mediaconsument bevinden. Maar ten aanzien van ex-Joegoslavië bestaat er in de publieke opinie in West en Oost een algemene onvrede over het gebrek aan actie ter beëindiging van het conflict.

Aan deze onvrede pogen, wellicht goedbedoelende, politici iets te doen, veelal in de vorm van loze beloften. In Bonn en Wenen pleit men op hoge toon voor militaire interventie, door anderen, en wist men in Europees verband vorig jaar de erkenning van sommige oorlogspartijen tot onafhankelijke staat erdoor te drukken. In Teheran kondigt men keer op keer de zending van onoverwinnelijke moslim-strijders aan. Uit Frankrijk kwam de loze belofte, gevangenkampen te gaan bevrijden. Maar het verst gaan misschien nog wel de voorshands nog loos gebleven beloften van de nieuwe Amerikaanse regering, waarvan er één - het zenden van wapens aan de moslimpartij in Bosnië - door veel betrokkenen in het veld wordt gezien als het zekerste middel de oorlog te verlengen en over de rest van de Balkan uit te breiden.

Misschien is het tijd geworden voor de opinieleiders in diverse landen, vooral de zolang door stabiliteit en rust geplaagde Westerse, hun landgenoten ervan te overtuigen dat oorlog onder omstandigheden één van de feiten des levens is. Dat is natuurlijk moeilijk te verteren voor een publieke opinie, de laatste jaren verwend door praatjes over een "nieuwe wereldorde' en tv-beelden over chirurgical strikes die de indruk wekten dat oorlog, indien al noodzakelijk, kon worden afgedaan als een grootscheeps partijtje flipperkast.

Dat is oorlog, zo'n oorlog als hier in Joegoslavië met grote inzet gevoerd wordt, echter meestal niet, en ook een buitenlandse interventie hier zal niet zo'n oorlog zijn. Oorlog is een smerig en gruwelijk bedrijf, met wrede moordpartijen, de dood van talloze volkomen onschuldigen in alle leeftijdsgroepen, soms massale verkrachtingen, paniek en gebroken levens voor miljoenen.

Natuurlijk moet men niet aflaten te proberen oorlogen te voorkomen of de gevolgen ervan te temperen - zoals vanaf 1918 door de internationale gemeenschap stelselmatig is gebeurd. Maar de slechtheid van de mens wint het soms van de goede wil van zijn medemens. Niemand heeft nog ooit een alcoholist van de drank kunnen afhelpen, die vastbesloten was te blijven drinken.

Een Servische soldaat en een Franse VN-soldaat in de Bosnische stad Zvornik bestuderen elkaars wapens. (Foto AP)