Een muur achter een avondlucht; Schilderijen in het laboratorium

Andrew Oddy: The Art of the Conservator. Uitg. British Museum Press. Prijs ƒ 65,50.

Eind vorig jaar, toen de storm rond de restauratie van het schilderij Who's afraid of Red, Yellow and Blue van Barnett Newman wat was geluwd, verscheen bij de British Museum Press een boek waarin nog eens fijntjes stond beschreven welke beroepscode de Amerikaanse restaurateur Goldreyer schond. Andrew Oddy, restauratiedeskundige bij het British Museum, bracht in The Art of the Conservator elf restaurateurs samen die wereldfaam genieten. Of het nu de restaurateur van Michelangelo's fresco's in de Sixtijnse Kapel betreft, die van het antiek bronzen ruiterstandbeeld van Marcus Aurelius of van de vroeg-christelijke, Anglosaksische Sutton Hoo-helm: allemaal dragen ze in hun werk het principe van herstelbaarheid hoog. Nooit mag je een kunstvoorwerp zo restaureren dat het onmogelijk wordt de toevoegingen weg te halen.

Dit betekent dat, anders dan bij Newmans olieverfschilderij, dat met een laag onoplosbare acrylverf werd overgeschilderd, een beschadigd carton van Leonardo da Vinci met een mengsel van krijt en houtskool is gerestaureerd. Dit goedje laat zich namelijk met een zacht borsteltje en een piepkleine vacuümstofzuiger makkelijk verwijderen. Betrekkelijk eenvoudig zijn ook de weefdraden uit te halen die de gaten in het veertiende-eeuwse Roman de la Rose-gobelin stoppen. Beide restauraties staan nauwkeurig beschreven in Oddy's bundel.

Een uitgave van het British Museum staat garant voor degelijkheid en een gloedvolle uitvoering. Op bindwerk, papier en afbeeldingen is dan ook niet bespaard. De bijdragen zijn zo geschreven dat een leek ze met enige goede wil kan volgen. In zijn inleiding geeft Oddy een korte schets van de geschiedenis van het restaureren; hij stipt aan waarin oude restauraties van nieuwe verschillen en hoe het vak zich ontwikkelde van een vrij amateuristische aangelegenheid tot een serieuze professie met strenge regels. Zijn oude liefde, de chemie, loochent zich niet, want hij en ook veel andere schrijvers in het boek gaan uitvoerig in op scheikundige procédés en technische details.

Schat zoeken

Restaureren heeft in het leukste geval iets van schat zoeken. Je weet nooit wat een schilderij verbergt onder dikke lagen verf, vuil en vernis, of waartoe een paar miezerige scherven gevonden in een graf kunnen leiden. Maar het lijkt erop dat de auteurs zich onder Oddy's redactie te veel expert voelen om dit "onwetenschappelijke' gevoel van spanning toe te durven geven. De stuk voor stuk sensationele restauratiegevallen in The art of the Conservator worden dor en droog beschreven.

Ook Ian McClure, de conservator die zich het meest aan die starheid ontworstelt, begint zijn verhaal over de spectaculaire schoonmaak van het portret van Henry Prince of Wales te paard (tussen 1610 en 1612 door Robert Peak The Elder geschilderd) met de waarschuwing dat het er in de wereld van schilderijenrestaurateurs maar heel zelden spannend aan toe gaat. Waarom die verontschuldigende toon? McClure had gewoon veel geluk. Daar is niets beschamends aan. Onder de romantische, donker getinte voorstelling ging een heel andere, symbolisch veel complexere schuil. Op de plaats van een boom achter de prins verscheen Vadertje Tijd, de ranke appelschimmel werd een fors, spierwit strijdros, de diepblauwe avondlucht een baksteenrode muur. Prachtige kleurenfoto's laten het doek voor en na restauratie met elkaar vergelijken.

De auteurs bespreken de geschiedenis van de gerestaureerde schilderijen, beelden, porseleinen, textiele en ijzeren voorwerpen en de hindernissen die ieder in zijn eigen laboratorium moest overwinnen. Het is interessant om te lezen dat voor het beeld van Marcus Aurelius oorspronkelijk een overwonnen 'barbaar' lag, dat de Portland-vaas al in 1845 het doelwit van een kunstvandaal was, en dat het British Museum al in 1933 plannen maakte voor het veilig onderbrengen van de collectie in geval van een oorlog met Duitsland. Maar al deze anekdotes bij elkaar maken geen boek dat inzicht biedt in de grote dilemma's van het vak. Een vraagstelling aan de hand waarvan de schrijvers hun magnum opus konden of wilden bespreken ontbreekt; zelfs zo'n belangrijke als die naar de authenticiteit van een voorwerp.

Wie bepaalt wanneer iets authentiek is? Tot hoever mag men restaureren? Hoe veranderen opvattingen hierover en hoe smaakpatronen? Oddy roert deze kwesties alleen even aan in het begin van het boek en laat ze vervolgens voor wat ze zijn. Dat is opmerkelijk, want juist bij oude kunstvoorwerpen die al vaker zijn gerestaureerd - en dat zijn de meeste in The Art of the Conservator - is de verantwoordelijke restaurateur verplicht zich hierover een mening te vormen.

Na Oddy's inleiding ben ik benieuwd naar de omstandigheden waaronder Michelangelo's "onfatsoenlijke' naakten in de Sixtijnse kapel met kleren werden beschilderd en naar de reden waarom een twaalfde-eeuws Chinees Boeddhabeeld steeds in andere kleuren werd overgeschilderd. Ook wil ik veel meer weten over het lot van de Piranesi-vaas: hoe het kwam dat deze "antieke' kolos in onze eeuw werd ontmaskerd als een achttiende-eeuwse vervalsing en van zijn ereplaats in de hal van het British Museum naar een depot verhuisde. In de betreffende artikelen zoek je tevergeefs het antwoord.

The Art of the Conservator is een verzameling fragmenten, die per vakgebied hun geïnteresseerden zullen trekken. Een bredere context is er niet. De twaalf geleerden gaan dagelijks achter hun microscoop en reageerbuizen versplintering te lijf, maar blijken niet in staat om hun eigen geschriften van dit euvel te redden.