Deserteurs uit het normale leven; De Beat Genration, het fatsoen en de media

The Beat Generation. Rheno Records R2 70281 (3 cd's)

De cd-box The Beat Generation laat behalve interviews met en teksten van Jack Kerouac, Allen Ginsberg en William Burroughs ook liedjes horen waarin meisjes kreunen dat ze in een strakke zwarte maillot graag blootvoets en dierlijk willen dansen op bongoritmes, onderwijl veel wijn drinkend uit een mandfles om daarna tot de volgende ochtend de liefde te bedrijven. Zo kan makkelijk de mening postvatten dat het schrijven van de Beat Generation in de jaren vijftig een literaire mode was, die weinig van blijvende waarde heeft opgeleverd.

Een paar jaar geleden was het zondagmiddag in Delft. Een stille lentedag om te wandelen in de zon met een dikke trui aan. Maar in een kelder zaten twintig mensen op klapstoeltjes tegenover een laag podium. Onder die twintig mensen waren de organisatoren en leden van een jazzgroep die zou optreden. Ook ik was uitgenodigd om op te treden. Het voorstel van de organisatoren was dat ik steeds een minuut of tien zou voorlezen uit eigen werk, waarna de jazzband een of twee nummers speelde.

De groep bestond uit frisse twintigers, goed opgevoede, beschaafd geklede jongelui, die zich zo te zien heel serieus met muziek bezig hielden en zich er onder andere op toelegden klassieke moderne jazz te spelen. Pittig, strak, met verre van eenvoudige solo's en breaks, maar uiterst gehoorzaam in het overbekende idioom, en zonder een spoor van de opwinding waarmee die muziek ooit geboren was.

Toen het programma op zijn eind liep, kwam een van de organisatoren naar me toegestapt. Het was een gezette man van in de vijftig, die in de combinatie van colbert en spijkerbroek een voor zijn postuur wat optimistische keus had gedaan, en van het georganiseer en het vroege bier bezweet was geraakt.

Ja, een soort verzoekje, fluisterde hij me op samenzweerderige toon toe, om dat ene verhaaltje uit het boek, waarin je beschrijft hoe het is om te leren drummen, voor te lezen, maar dan samen met de drummer van de band. Want hoe dat geschreven is, dat swingt en deint, en nu met een drummer erbij, een soort improvisatie samen, echt jazz and poetry.

Overrompeld door het compliment en zijn geestdrift, die waarschijnlijk door jeugdherinneringen aan rokerige avonden in jazzkelders anno 1960 werden gevoed, drentelde ik naar het podium terug.

De drummer zat al klaar, hij was al even bedremmeld ingegaan op het verzoek als ik. Onhandig en lichtelijk gegeneerd spraken we tekens af waarop hij zijn begeleidende beat zou onderbreken voor een spetterende break. Min of meer opgelaten zouden wij (samen ongeveer even oud als de voorzitter) de aanwezigen, die ons glunderend van de voorpret en de nostalgie aankeken, een plezier doen. Ik was en ben niet erg bedreven in het ritmisch declameren van teksten, en de drummer had zulks overduidelijk nog nooit eerder moeten begeleiden. We brachten het er redelijk af. Voor ons op de klapstoeltjes waren ook na afloop nog glunderende gezichten, prachtig hadden ze het gevonden.

Op die zondagmiddag in de kelder te Delft klonk een zwakke echo van iets dat dertig jaar eerder, in Venice California, North Beach San Fransisco, in koffiehuizen in Greenwich Village, New York en geleidelijk ook in Londen, Parijs en Amsterdam een uiting was geweest van een opwindende nieuwe vermenging van subcultureel nachtleven, muziek en letteren.

Tijdens de korte voordracht besefte ik hoe onvoorstelbaar ver weg en lang geleden de wereld was waarin Parker, Coltrane, Kerouac en Burroughs, Lenny Bruce en Ginsberg hun naam vestigden. En ook, hoe vergankelijk de sfeer was waarin hun werk een subcultureel wij-gevoel kon oproepen.

Op slag vond ik het vreemd dat ik, zelfs te laat geboren om bewust iets van de jaren zestig mee te maken, vanaf mijn zestiende naar Monk, Parker en Coltrane had geluisterd, Kerouac en Burroughs las, zocht naar opnames van Lenny Bruce, snuffelend in hun biografieën en turend naar foto's van het Amerika van toen. Alles met het idee iets te begrijpen, en iets van die jazzy state of mind van de hipster in te drinken. Opeens was het regelrecht onwaarschijnlijk dat ik ooit in de verste verten contact had gemaakt met die verre planeet, die verzonken wereld aan de andere kant van de oceaan.

Maar wat betekende het dan dat ik daar stond, opgelaten en wel, maar toch, voorlezend onder begeleiding van een jazz drummer van een jaar of 25? Waren we het slachtoffer van een groepje uitgelaten nostalgische ex-beatniks? Dat niet, het was tot op zekere hoogte onze eigen schuld. Wat de drummer betreft was dat zonneklaar, die speelde jazz in de stijl van Parker, en Dizzy Gillespie, de vroege Coltrane en Rollins; hij had gestudeerd op de drums van Kenny Clark, Max Roach en Philly Joe Jones. Alles wat de band speelde die middag was afkomstig uit de late jaren vijftig, begin zestig.

Wat het boek betreft waaruit ik voorlas gold iets vergelijkbaars. Er staan stukken in over de stijl van Kerouac, over Charlie Parker, Albert Ayler, er wordt aardig wat in rondgehangen en gelanterfant. Er is veel aandacht voor zelfkant en straatleven, en van de mentaliteit van de twee hoofdpersonen is met enige reden te zeggen dat die mede beïnvloed is door die van de hipster. Allemaal ingrediënten, die het begrijpelijk maakten dat de voorzitter op me afstapte en me voorstelde een stukje jazz & poetry te laten herleven.

Sketches

Vorig jaar bracht het Californische platenlabel Rhino Word Beat een doos uit met daarin drie cd's en een begeleidend boekje, alles onder de titel The Beat Generation. Het label specialiseert zich in het uitgeven en heruitgeven van geluidsdocumenten uit de periode dat de Beats op volle toeren draaiden. Maar de samensteller, James Austin, heeft geen compilatie van de stemmen van beroemde dichters en schrijvers gemaakt. In deze verzameling komen de stemmen van Ginsberg, Kerouac en Burroughs wel voor, maar het grootste deel van de cd's is gevuld met muziek, stukken uit radio- en televisie-programma's en sketches van komieken. De verzameling probeert een beeld te geven van de Beatgeneration als mediafenomeen, en de uitstraling ervan in literatuur, muziek, showbusiness en humor. Het boekje begeleidt niet alleen alle fragmenten met een deskundig en gedetailleerd commentaar, maar bevat bovendien een aantal artikelen die inzicht geven in de manier waarop Hollywood, de populaire paperback-industrie en tijdschriften als Time en Life het verschijnsel verslonden en uitbaatten.

In het voorwoord zegt de samensteller James Austin, dat hij te werk is gegaan met eerbied en humor, oftewel dat de anthologie een reisverslag is van een excursie door het poëtische, kinderachtige, bevlogene en absurde. Zet u schrap om te worden ondergedompeld in de drek en de pracht van de Amerikaanse popcultuur - dit is geen reis voor puristen, die bang zijn dat hun esthetische principes geweld wordt aangedaan .

Het gevolg van deze aanpak is dat de luisteraar van een compact stukje virtuoze bebop van Parker terecht komt in een melig nummer van een toenmalig Amerikaans equivalent van René Froger, die zingt over zijn hip ingerichte appartement met helemaal te gekke blauw suède gordijnen en schots geruite lampekappen. Blijkbaar het meest bizarre dat de doelgroep van de zanger zich kon voorstellen. Onvermijdelijk zijn ook de parodieën op het hippe taalgebruik en de liedjes waarin de beats verschijnen als ongewassen, ongeschoren luiwammesen die van de steun leven en niks anders aan hun hoofd hebben dan seks, drugs, drank en wilde muziek.

Documentaire waarde hebben de fragmenten uit radioprogramma's, waarin, tijdens het hoogtepunt van de rage (1959 en '60) een poging gedaan wordt om deze nieuwe generatie op eigen terrein op te zoeken en te begrijpen. Verslaggevers lopen koffiehuizen in en vragen schakende en espresso nippende jongelui wat hen toch beweegt om de maatschappij en het normale leven de rug toe te keren.

De antwoorden zijn voor de hand liggend: dat alles heel relatief wordt als de wereld ieder moment kan worden opgeblazen met atoombommen, dat er meer tussen hemel en aarde is dan sparen voor een eigen huis, een tweede auto en met samengeknepen billen in de pas te lopen om promotie te maken, dat het leven van de middenklasse in de buitenwijken op huichelachtigheid, angst en leugens is gebaseerd, en dat het leven nu, met de zintuigen en de ziel geleefd dient te worden.

Veel verbijstering is er bij de brave omroepers over wat ze kloof tussen hip en square noemen. Het is alsof er plotseling een primitieve stam blijkt te bestaan, die werkelijk alles anders doet dan de gewone mens, en behalve achterdochtig en vol verwijten ook nog eens moeilijk te verstaan is, vanwege de geheimtaal die ze spreken.

Een van de komische hoogtepunten is een opname van een discussie tussen een beatnik en een zeer square toerist, die een koffiehuis in North Beach San Francisco is binnen gelopen om de nieuwe mensensoort met eigen ogen te bekijken. “Ik blijf gewoon zoeken, naar een hoger doel; ik was jarenlang acoliet, maar ik vond niet wat ik zocht, ik was jarenlang soldaat, maar ik zoek verder, en waarom niet?” zegt de jongeman vol vuur. De toerist verwoordt feilloos het oordeel dat Middle America over de beats heeft: “Je bent gewoon onvolwassen. Mij lijkt dat je niet zoveel aan jezelf moet denken, maar een gezin beginnen en dan je verantwoordelijkheden nemen. Je moet het gezag van God aanvaarden, die geeft je zekerheid en richting.”

Het opstandige van de beatgeneration was in het Amerika van 1958 ook aanleiding voor sensatie-verhalen. Er verschenen massa's romans waarin criminele jongens en seksueel ontremde meisjes wild te keer gingen en alles deden wat God verboden had, en waar iedere rechtgeaarde square dus graag over las.

Bongo's

Op de cd's staan ook enkele liedjes uit films die op dezelfde manier de rage probeerden te exploiteren en meestal komt het er op neer dat een meisje enigzins kreunend bezingt, hoe ze in haar strakke zwarte maillot graag blootvoets en dierlijk wil dansen op bongoritmes, onderwijl veel wijn drinkend uit een mandfles om daarna tot de volgende ochtend de liefde te bedrijven. Er is een jazzy bandje bij en inderdaad manisch roffelende bongo's.

Het toppunt van deze lulligheid is een lied van de hopeloos onhippe Perry Como, die zingt over een affaire met een hip meisje. Overdadig gebruikmakend van alle modewoorden bezingt hij sloom hoe hij meedoet aan het bohémienleven, alles om maar bij haar te zijn en zich jong te voelen.

Gelukkig levert de set cd's ook muziek van musici, die horen tot het pantheon van helden van de beats, zoals Charlie Parker, Dizzy Gillespie, Charlie Mingus, Kenny Clarke en Gerry Mulligan. Ronduit slecht vertegenwoordigd is de super-hipster Lenny Bruce, die met overslaande stem een gedicht voordraagt over een man die getrouwd is met een paard, onder de titel "Psychopathia Sexualis'.

De King of Beats, Jack Kerouac, komt er aanzienlijk beter af. Hij is degene die het begrip Beatgeneration gemunt heeft en de tekst waarin hij zijn keuze voor het woord beat omschrijft opent de eerste cd in de reeks. Kerouac was een periode van twee jaar lang zo goed als publiek bezit. Meestal was hij te zenuwachtig of te dronken om de persconferenties en interviews tot een goed einde te brengen. Vaak genoeg waren de vragen ook zo provocerend of stompzinnig dat hij de interviewers beledigde. Op deze cd's is een voorbeeld te horen van een televisie-interview dat in ieder geval niet door dronkenschap of zenuwen misloopt. Het is een bizar gesprek tussen Ben Hecht, een oudere, scherp van de tongriem gesneden journalist, en Kerouac, die zo rustig en vaag is dat alle vragen in de mist verdwijnen. Op de vraag of hij van politiek houdt, antwoordt Kerouac bijvoorbeeld dat hij Eisenhower een aardige man vindt, echt iemand om een hand te geven en een praatje mee te maken. Hecht is verbijsterd en had blijkbaar een militant antwoord verwacht, zodat hij zich haast te zeggen dat Eisenhower in zijn dadenloosheid wel wat van you boys wegheeft en het land ermee naar de knoppen helpt.

Veel aandacht gaat in het gesprek uit naar de religieuze aspiraties van Kerouac, die vriendelijk verklaart Boeddha, Allah, God, Jahweh en Jezus te vereren. Dat is Hecht teveel, en hij vraagt dan of Kerouac moeilijkheden met justitie verwacht als hij en zijn vrienden openlijk Boeddha aanbidden. Kerouac geeft als antwoord dat hij met niemand ruzie wil en dat tijdens diens leven niemand een vinger naar Boeddha heeft uitgestoken. Al met al een amusant staaltje miscommunicatie, getoonzet in de voor een live tv-uitzending kenmerkende zenuwachtige opgewektheid.

Kerouacs heldere, zangerige stem is nog te beluisteren in twee opnames, afkomstig van platen die Kerouac op het hoogtepunt van zijn roem maakte, waarin hij delen uit zijn romans voorleest, begeleid door een jazzpianist. Zeker bij het het stuk October in the Railroad Earth is dat overbodig. Zonder pathetisch of gekunsteld te worden heeft de voordracht van Kerouac zoveel ritme en melodie, dat het cliché-gepingel van Steve Allen storend werkt. Hier is Kerouac op zijn best, met een zangerig proza-gedicht waarin hij een middag, een avond en een nacht in San Francisco beschrijft met beelden van straten, gevels, forensen en zwervers, en die verweeft met herinneringen aan zijn geboortestad en flarden van zijn cafébezoek, dat uitloopt op een dronken vechtpartij. De toon is dromerig, van een kinderlijke weemoed, maar niet zonder snelheid en humor.

Het laatste woord in de samenstelling van Austin is aan de Paus van de Beat schrijvers, Allen Ginsberg. Van hem is een uit 1959 daterende opname te horen van een fragment uit Howl, waarin hij zijn gekwelde verhouding tot de Amerikaanse alledaagse cultuur verwoordt. Koddig, spottend, beschuldigend, wanhopig spreekt hij zijn natie in de jij-vorm aan. De keuze voor dit slot past goed in de teneur die de hele verzameling en het bijgeleverde boekje kenmerkt, namelijk een lichtelijk nostalgisch eerbetoon aan een groep mensen, die aan de basis stonden van wat de samenstellers de non-comformistische opstand noemen. Na de korte periode van de Beats zien ze die vloeiend overgaan in de psychedelische en Nieuw Linkse beweging van de jaren zestig en de punk rock subcultuur van de jaren zeventig en tachtig. Met enig vertrouwen zien ze de toekomst wel tegemoet vanwege de door hen waargenomen koffiehuis en poëzie-avond revival van de laatste jaren.

Coltruien

Het effect van het aandachtig beluisteren van de drie cd's is voor iemand die een zekere sympathie voor de literaire Beatgeneration voelt zowel amusant als ontnuchterend. Er zitten aardig wat Amerikaanse curiosa bij, die een scherp beeld geven van het tijdperk waarin de Beatgeneration haar stem verhief. Veel van die Americana zijn, al dan niet opzettelijk, grappig en geschift.

Deze compilatie van geluidsdocumenten en muziek is er op uit de verschillende verschijningsvormen van het fenomeen Beatgeneration te tonen. Maar als er iets onduidelijk door wordt dan is het wel wat alle opgenomen onderdelen nu wel of niet met elkaar te maken hebben. Je krijgt bijna medelijden met de schrijvers, dichters en musici die moesten aanzien hoeveel nonsens de media en de showbusiness over het land uitstortten onder het sensationele en profijtelijke etiket Beatgeneration. Om nog maar te zwijgen van al die jongens en meisjes in coltruien die als gevolg van de rage plotseling het Zen-boedhisme gingen bespreken tussen flarden poëtisch bedoelde orakeltaal door.

Het is een verdienste van de samenstellers van deze cd-box dat de schrijvers in de context geplaatst worden van de Beatgeneration als sociaal verschijnsel en mediaconstructie. Maar dat maakt het er niet makkelijker op het werk van die schrijvers vandaag de dag uit die context los te peuteren en op zijn eigen voorwaarden te waarderen. Dat is het ontnuchterende aan het beluisteren van dit mozaïek van muziek en stemmen. Het heeft eenzelfde effect als het op een willekeurige zondagmiddag in Delft willen heropvoeren van een jazz & poetry happening: het bevestigt alle clichés die de oorspronkelijke kracht en zelfstandige waarde van het schrijven van de Beats verduisteren.

Het is niet moeilijk om vervolgens tot het oordeel te komen dat het schrijven van de Beatgeneration een literaire mode was, een stijl en mentaliteit die zozeer aan een korte periode in de Amerikaanse geschiedenis verbonden is, dat ze weinig van blijvende waarde heeft opgeleverd.

Juist met het oog op de weer oplevende interesse voor die periode en de schrijvers van de Beatgeneration, waar de cd-box een symptoom van is, lijkt het interessanter om te kijken waar de kwetsbaarheid van de Beatschrijverij voor zo'n oordeel op berust.

De uitdrukking I'm beat was in de jaren veertig bargoens voor "ik zit stuk', en het oor van Kerouac legde het verband met de alleen voor ingewijden hoorbare magie van de beat van de jazz. Om ingewijd te kunnen worden moest je stuk zitten. Om iets in de plaats te krijgen voor de walging en teleurstelling in het alsmaar bravere, intolerantere, hygiënischer, zelfingenomener en carrièrejagender Amerika van vlak na de tweede wereldoorlog, moest je het de rug toekeren en bij degenen te rade gaan, die Mainstream Amerika verstoten had: zwarten, criminelen, homoseksuelen, prostituées, zwervers, gekken, drugsverslaafden.

Je kunt zeggen dat de cowboy de mythische figuur voor het Amerika van de pionierstijd is, en zo was in Kerouacs ogen de hipster, de mythische held van dat schaduw-Amerika. Hij was meester in de kunst van het overleven, een fijnproever en stilist op het gebied van uiterlijk, muziek, seks en genotmiddelen, een dichter met een eigen taal, het jive, en een laconiek filosoof waar het de willekeur van macht en de betrekkelijkheid van fatsoensnormen en legaliteit betrof. In de meerderheid van de gevallen was de hipster in de late jaren veertig zwart en jazzmusicus of pooier.

Hipster

Kerouac koos als schrijver voor de vrijwillige ballingschap naar de onderbuik van Amerika, naar wat hij als het onderbewuste van Amerika zag, om verslag te doen van de werkelijkheid, gezien vanuit het perspectief van de hipster.

De keuze voor de hipster als mythisch voorbeeld betekende een breuk met de mainstream cultuur en dus met de voorwaarden waaraan literaire kunstwerken moesten voldoen. De stijl die hoorde bij het beat-standpunt diende dicht op het geleefde moment te zitten, muzikaal en geïmproviseerd te zijn, van de straat, op zoek naar it, zoals een jazzmusicus in een solo.

De leefwijze die hoorde bij dit soort schrijversschap bestond uit een verzameling technieken om buiten te raken, eruit, uit het normale, uit de code van het middenklasse Amerika waaruit de schrijvers afkomstig waren. Drugs, eindeloze en uitputtende autoritten, religieuze extase, zwarte muziek, seksueel avonturisme, alles diende ervoor de beleving te verstoren en te verruimen. Met een soort Amerikaanse versie van het surrealistische vertrouwen dat daarbuiten iets prachtigs en waars geopenbaard zou worden.

De verhalen en gedichten die deze mentaliteit opleverde waren een soort literaire popmuziek. Ze ontleenden hun kracht aan hun muzikaliteit en opvoerbaarheid, aan het ongepolijste contact met het alledaagse leven en de straat; ze appelleerden aan een vorm van ongekunstelde oprechtheid tussen het leven van de kunstenaar en zijn produkt, ze negeerden de regels van de Kunst en de goede smaak, vermengden invloeden van verschillende etnische herkomst en ze bezongen dromen, woede en fantasieën, die als onfatsoenlijk of gewaagd ervaren werden.

Het ging als met de rock 'n' roll, de beatmuziek, en later de pop art. De squares haatten de hips niet meer, maar wilden in ijltempo hip worden, en als dat niet ging, dan wilden ze naar alles wat hip was luisteren, het lezen en het zien. Met de Beatgeneration ontstaat een nieuw type literair auteur, een popmusicus van het woord, die nooit zal horen bij de Beethovens en Schönbergs van de literatuur, maar dat ook helemaal niet wil. Zijn aantrekkingskracht berust immers op andere dingen. Essentieel is zijn karakter als deserteur uit het normale leven, als bohémien/sjamaan, die in contact treedt met de dromen, spoken en mensen buiten de beleving van de doorsnee burger. En dat doet hij niet intellectueel, bij wijze van gedachtenexperiment, zoals deftige en geleerde schrijvers, maar door zich eraan over te leveren, met gevaar voor eigen gezondheid en geluk.

Lifestyle

Volgens dit schema konden de Beats beroemd worden en kan hun werk, in al zijn beperkingen, nog steeds veel aantrekkingskracht uitoefenen. Het is een verleidelijk soort schrijverschap om over te lezen, en de houding van hipster een sterk zwart-romantisch beeld.

Het is de laatste dertig jaar steeds moeilijker geworden je nog een Buiten voor te stellen. Een belevingswereld die taboe is, die afgesloten gehouden wordt door de machten van het normale en het fatsoen. Het lijkt er eerder op alsof de populaire cultuur zich 180 graden heeft gedraaid, vergeleken bij de jaren vijftig in de USA. Toen was het ten koste van alles bereiken van een Buiten een belangrijke prioriteit, nu lijkt het Buiten er niet meer te zijn, alles is binnen, alle waanzin, exotica, drugs, expliciete seks, het uiterste cynisme en het zweverigste idealisme, alles is alomtegenwoordig, zij het in de gedaante van lifestyle, image, entertainment, fictie en nieuws, kortom als videosignaal. Daarmee lijkt de unieke aantrekkingskracht van een zich van de maatschappij afkerende subcultuur verdwenen. Het Buiten in naam waarvan zo'n subcultuur spreekt klinkt vandaag de dag al snel willekeurig. Iedere lifestyle verschijnt als een subcultuurtje, met zijn eigen kloof tussen hip en square, ingewijde en buitenstaander.

Het was niet verwonderlijk dat ik moeite had te geloven in het ritueel van de jazz & poetry happening op die zondagmiddag in Delft en me opgelaten voelde. In het oproepen van een Buiten moet je geloven, ik geloof niet in één groot Buiten, waar de fundamenten van het bestaan of de mens in hun naakte waarheid kunnen worden geschouwd. Voor mij zijn er ontelbaar veel Buitens. En ze zijn allemaal Binnen, voor het grijpen, tussen de videosignalen met betekenisloze extremiteiten en exotische sensaties. Ongeloof levert een scherper beeld om ze te vinden dan geloof. In plaats van een ontregeling van de zinnen eis ik van mezelf een abnormale verscherping van de zinnen, zodat de gaten, rotte plekken en schuilplaatsen in de quasi-volledige, zichzelf schijnbaar volmaakt rond en voort communicerende wereld zichtbaar worden. Vanaf die kleine, vreemde plekken, waar men zich maar kort, soms een paar microseconden lang, kan ophouden, verschijnt de wereld alsof je er werkelijk met plezier kunt leven zonder het veroverde uitzicht op de gruwelen en het onrecht te verliezen. Niemand weet precies waarvoor het dient, maar tussen alle gegevens en geluiden door die ik opslok en verwerk, klonk October in the Railroad Earth helder op en werkte als een kleine, maar welkome vitamine.