De haat-liefde-verhouding van een ploegleider met zijn buitenlandse kopmannen; "Peter Post heeft een hekel aan kleine renners'; "Post is geen talenwonder, in het Engels ging het wel'; "Een perfectionist met een Fransman, dat wordt niks'

Peter Post werkt het liefst met een Nederlandse kopman. Maar soms moest de ploegleider noodgedwongen een buitenlander voor die rol aantrekken. Sinds hij in 1974 begon had Post de volgende buitenlandse top-allrounders in dienst: Dietrich Thurau, Paul Wellens, Uli Sutter, Ludo Peeters, Phil Anderson en Robert Millar. Charly Mottet, een Fransman, is in 1993 de uitverkorene. Hoe verliep de samenwerking met de buitenlanders?

GENT, 26 FEBR. Robert Millar heeft geen goed woord over voor Peter Post. De fijn gebouwde Schotse renner zegt nog nachtmerries te krijgen als hij terugdenkt aan de competities van 1986 en '87. Als werknemer van Panasonic werd hij toen “voortdurend uitgefoeterd”. “Post had een hekel aan kleine mensen, of in elk geval aan kleine renners. Niks kon ik goed doen.” Post contracteerde Millar, nu in dienst van TVM, voor de etappewedstrijden en met name voor de Tour de France. De Amstelvener had hoog gespannen verwachtingen van de Brit, die in 1985 elfde werd in La Grande Boucle. Hij rekende op een plaats op het ereschavot.

“Iedereen wist dat ik zo ver niet kon komen”, verdedigt Millar zich, “ik was weliswaar een uitstekende klimmer, maar een helper, geen winnaarstype. In die rol heb ik later LeMond bijgestaan.” Onder de hoede van Post kon hij zich in de Franse ronde niet waar maken. Hij verspeelde veel minuten in de tijdritten, maar ook in de cols werd hij gesloopt. “Post was voor iedere race veel te nerveus”, weet Millar nog, “dat gevoel sloeg over op de renners. Alle jongens waren bang van hem. Het ergste vond ik nog dat hij met zijn kritiek eerst naar de pers ging. Ik las in l'Equipe wat ik had misdaan, pas een dag later kreeg ik het uit zijn mond te horen.”

De ideale renner moet voor Post over de volgende kwaliteiten beschikken: hij blinkt uit in de tijdritten, hij kan uitstekend klimmen en hij heeft "karakter' - dus is hij een potentiële Tourwinnaar. Belangrijke bijkomstigheden zijn dat hij Nederlander is, mooi op de fiets zit en een keurige vertegenwoordiger is van "de firma'. Uitspattingen zijn uit den boze, Ordnung muss sein. Vandaar dat Post, in 1974 begonnen als ploegleider, zo blij was met Dietrich Thurau, zijn eerste grote buitenlandse ronderenner. Post was gecharmeerd van de Duitser. En het fietsende wonderkind stelde hem niet teleur. Hij sprak bovendien wat Nederlands.

Thurau was in 1977 eerste in de proloog van de Tour en behield de gele trui langer dan twee weken. De hele Raleigh-formatie hielp hem, inclusief Hennie Kuiper. Insiders menen dat de laatste - tweede in het eindklassement - die Tour had kunnen winnen. Maar Kuiper kreeg van Post geen toestemming zijn grote rivaal Bernard Thévenet aan te vallen, het eretricot van Thurau was heilig. Thurau, thans een succesrijke bouwondernemer, gelooft niet in die theorie. “Kuiper heeft weinig last gehad van mijn successen. En vergeet niet dat we de laatste week keihard voor hem hebben gewerkt. Hennie kwam tekort in de tijdrit naar Dijon, waar Thévenet zijn Tourzege veilig stelde en ik tweede werd. Tja, als Kuiper zo'n goede race tegen de klok had kunnen rijden als ik.”

Hoe het ook zij, de Tour van 1977 vormde het begin van een breuk tussen Kuiper en Post, die eind 1978 definitief werd. Thurau vertrok intussen voor het grote geld naar België. Joop Zoetemelk was gebonden aan een Franse ploeg. In de Tour van 1979 moest Post zich daardoor behelpen. Henk Lubberding was eigenlijk zijn enige Nederlandse troef en Johan van der Velde nog te jong. De chef d'equipe wist bovendien dat de twee wegens hun matige tijdrit wel eens tekort kon schieten. Daarom had hij twee buitenlanders in zijn Tourformatie opgenomen, de Belg Paul Wellens en de Zwitser Uli Sutter.

Wellens, nu eigenaar van een fietsenzaak: “Post zag veel in mij, want in 1977 won ik als renner van Frisol een bergetappe in de Ronde van Frankrijk. Wie dat kan, is natuurlijk interessant voor Post.” Al op de tweede dag van de Tour van 1979 liep het mis met drie van de vier toppers van Post. In de Pyreneeën reden de klimmers op de eerste col, de Peyresourde, een hoog tempo. Wellens, Lubberding en Van der Velde haakten af. “Ik dacht dat het een sprint om de bergprijs betrof”, herinnert Wellens zich, “op de top ben ik nog rustig afgestapt om mijn zadel wat lager te zetten. Ik dacht in de afdaling gemakkelijk te kunnen terugkomen. Een vreselijke vergissing. Bernard Hinault ging meteen door toen hij ontdekte dat er vooraan enkele bekenden ontbraken.”

Wellens: “We kregen ongenadig op ons donder. Terecht natuurlijk. Post had gelijk, wij hadden gewoon mee moeten zitten. Mijn carrière is op de Peyresourde kapot gegaan, vermoord. Ik ben nooit over die klap heen gekomen.”

Sutter was de enige Raleigh-renner die in de buurt van Hinault bleef. De Zwitser was door Post aangetrokken wegens zijn goede prestaties in de Ronde van Zwitserland. Sutter, nu vertegenwoordiger in de mountainbike-branche: “Het was logisch dat ik in de Ronde van Zwitserland steeds kon uitblinken. Ik was daar altijd in vorm, omdat ik tevoren de Ronde van Italië had gereden.”

Sutter werd in 1979 vierde in de algemene rangschikking, met name dank zij de overwinning van Raleigh in de ploegentijdrit. Prompt kreeg hij de vraag voorgelegd of hij kandidaat was voor de gele trui. De Zwitser antwoordt nu net als veertien jaar geleden: “Ik de maillot jaune? Het zou voor mij een feest zijn geweest, zoiets als Kerstmis. Maar Kerstmis valt nooit in juli. Ik was niet veel beter dan Stefan Mutter of Beat Breu, die in die tijd ook voor Post reden. Als Post dacht met mij een groot kampioen in huis te hebben gehaald, dan heeft hij zich lelijk vergist. In de Alpen verloor ik mijn goede positie en heb ik zelfs moeten opgeven.”

De ideale renner had Post in 1980. Joop Zoetemelk won de Tour. Post genoot als nooit tevoren. Een jaar later werd "Jopie' vierde en verdween weer naar Frankrijk. In 1987 kreeg Post Erik Breukink aangeboden. Hij kwam zo maar binnenlopen, de tijdrijder en klimmer. Post hapte, maar was niet zuinig op het talent. De gentleman met zijn "eeuwige slechte dag' moest na drie jaar plaats maken voor de "tweeling', Steven Rooks en Gert-Jan Theunisse.

“Post doet niet gemakkelijk miskopen”, stelt Ludo Peeters, “hij heeft een goede kijk op het wielrennen. Zijn eerste indrukken van iets kloppen meestal. Maar de ruil Breukink tegen Rooks en Theunisse was een hele slechte. Hij gooide goud weg.”

Peeters trad in 1981 in dienst van Post. Op de presentatie van Raleigh in Amsterdam schrok hij van de woorden van Post, die iets zei in de trant van: “Peeters kan de Ronde van Frankrijk winnen.” Post overschatte hem, meent de Belg, wiens kracht naar eigen zeggen in de klassiekers lag. “Ik was met Jan Raas meegekomen van Frisol. Ik was een goede helper, ja ik had koersinzicht. 't Rondewerk lag me niet zo.”

Toen Peeters vertrok (eind 1983) lijfde Post Phil Anderson in. Hij was bijzonder gecharmeerd van de Australiër. Post had de jonge Anderson tevoren in het shirt van Peugeot brutaal zien duelleren met Hinault. Dat beloofde veel, maar als ronderenner kwam de aanvaller niet geheel uit de verf. Eind 1987 ging hij bij Post weg.

Peeters: “Phil was soms moeilijk, eigenzinnig vooral. Dat botste wel eens met Post. De taal? Post is bepaald geen talenwonder. Maar in het Engels ging het wel. Zijn Frans is uiterst zwak, ik ben benieuwd hoe hij communiceert met Charly Mottet, dit seizoen zijn belangrijkste ronderenner. Oei, dat zal niet meevallen.”

Mottet is al afgeschilderd als een eigengereide Fransman, die enkel op persoonlijk succes uit is. Peeters: “Dat lijkt me overdreven, want bij het WK van vorig jaar stelde hij zich geheel ten dienste van Laurent Jalabert. Akkoord, dat is ook een Fransman. Hij zal niet voor Eddy Bouwmans (Posts Nederlandse coming-man voor de grote ronden, red.) werken, maar dat is ook niet nodig. Bouwmans moet als helper beginnen.”

Niet bekend