De enige echte homo sovieticus; Megalomane autobiografie van Aleksandr Zinovjev

Aleksandr Zinovjev: Herinneringen van een soevereine rebel. Vert. Pieter de Smit. Uitg. Meulenhoff, 394 blz. Prijs ƒ 49,50.

“Onze provincie Kostroma gold als de meest doodse van Rusland. Ons district Tsjoechloma gold als het meest doodse van de provincie. En ons dorpje Pachtino gold als het meest doodse van het district. In zijn grootste bloeitijd telde het niet meer dan tien huizen.” Zo veelbelovend begint Aleksandr Zinovjev zijn autobiografie, die in het Russisch "Ik ben de staat" heet, een mooie megalomane titel die veel beter bij de auteur past dan het wat slappe "Herinneringen van een soevereine rebel", waarmee de Nederlandse vertaling is opgezadeld.

Aleksandr Zinovjev is filosoof, logicus en schrijver en, zoals de meeste Russische dissidenten, recalcitrant tot op het bot. Zijn satire Gapende hoogten, die in 1976 in Zwitserland uitkwam, maakte hem wereldberoemd en leidde uiteindelijk tot zijn verbanning naar het Westen, waar hij zich sindsdien ongelukkig zit te voelen. Hoewel hij inmiddels een flink oeuvre op zijn naam heeft staan, voelt hij zich zowel in oost als west eigenlijk onbegrepen. Die miskenning geldt, vindt hij, zowel voor zijn kwaliteiten als filosoof als voor zijn politieke overtuigingen, die bij velen ergernis oproepen. Zo schreef hij een fel schotschrift tegen Gorbatsjov ("Het gorbatsjovisme of de macht van een illusie") op het moment dat de sovjetleider in het westen op handen werd gedragen. En in "Katastrojka" deed hij de perestrojka af als de zoveelste kosmetische opknapbeurt voor het sovjetsysteem. Maar ook zijn opmerkingen over de historische noodzakelijkheid van de collectivisatie van de landbouw en de onverwoestbaarheid van het duizendjarig rijk van het communisme maakten nieuwsgierig naar zijn autobiografie. Na lezing van "Ik ben de staat" kun je maar één conclusie trekken: Zinovjev, die zijn hele werk wijdde aan de beschrijving van de sovjetmens, is zelf de homo sovieticus ten voeten uit. Hij zegt dat trouwens ook zelf met zoveel woorden.

Het mooist en ook het illustratiefst zijn Zinovjevs jeugdherinneringen. Het dorpsleven in de jaren dertig was hard en hongerig. Grootvader had voor de kleine Aleksandr vast een doodskistje gemaakt, omdat iedereen ervan overtuigd was dat het zwakke ventje het niet zou halen. Het stond jarenlang op zolder. “Ik wist dat het mijn kistje was, ik was er trots op en wilde niet dat mijn broers en zusters eraan zaten.” Maar Aleksandr was een taaie rakker, een jongen van ijzeren discipline en doorzettingsvermogen en een geboren leider. Hij wilde hogerop en op zijn elfde stuurde zijn moeder hem naar zijn vader in Moskou, om school te gaan. Hij woonde, net als duizenden anderen, in een schimmelig keldertje, waar hij op een hutkoffer sliep. Nu begon het leven van de straat en de school, een leven van diepe armoe, maar grootse idealen. En die communistische idealen van de jaren dertig waren écht, benadrukt Zinovjev keer op keer.

Grandioze illusies

“En stelt u zich een jongetje voor, dat leeft temidden van de massa, dat gegrepen is door grandioze illusies en een even grandioze angst die te verliezen, dat dag in, dag uit de werking van het gigantische mechanisme van ideologische bewerking aan den lijve ondervindt!” Dit is een typische Zinovjev-formulering. De filosoof beschouwt zichzelf als de eerste en enige ter wereld die erin geslaagd is in zijn werk de wetten van het communistische systeem wetenschappelijk te analyseren. Hij denkt in schema's, wetten en mechanismen en in termen van klassenstrijd. Hij is zeer gevoelig voor het rad der geschiedenis en is de teleurstelling, dat de grootse dromen van het elfjarige jongetje en het ganse volk niet te verwezenlijken bleken, nooit te boven gekomen. “Niks geen Griekse tragedie. Zompigheid en vulles alom, waarin geen orkanen, titanen en goden gedijen, alleen wurmen, rottingsbacteriën,” zo formuleert Zinovjev ergens zijn jeugdige desillusie en hij vatte het plan op Stalin te vermoorden. Tegelijkertijd ontwikkelde zich zijn galgehumor, waaraan hij zijn latere succes te danken had. Zo vertelt hij met smaak een voorval tijdens een barre treinreis met recruten naar het Verre Oosten. Omdat er geen wc aan boord was, hielden twee soldaten een jongen met zijn achterwerk buiten de voortijlende trein. Voor de grap zei iemand dat ze hem bij zijn oren moesten vasthouden. De twee schoten in de lach en lieten de jongen los, die al lachend uit de trein viel. “Ik deed toen vaak denken aan die aan de schijterij zijnde en om het komische van de situatie schaterende jongen die op vijfduizend kilometer van huis onder de wielen van de trein viel,” schrijft Zinovjev.

Bombarderen

Céliniaans is Zinovjevs beschrijving van de oorlog. Je verbaast je over zijn hardheid en koelheid. De chaos, de doden, het cynisme, het bevrijdende gevoel ten dode opgeschreven te zijn. Zijn humor liet hem ook nu niet in de steek. In een brief aan zijn moeder schreef hij bijvoorbeeld: "De vijand rent in paniek achter ons aan", waarvoor hij door de partijsecretaris op het matje werd geroepen. Zijn tijd bij de luchtmacht noemt hij een van de gelukkigste perioden van zijn leven. Bombarderen was bijna iets feestelijks en de slachtoffers kregen ze niet te zien. De oorlog was voor veel Russische soldaten na de donkere jaren dertig een tijd van opperste vrijheid en het kostte Stalin na afloop heel wat moeite die miljoenen mensen weer in de fles te krijgen. “Van gevleugelde goden werden we weer kruipende wurmen,” aldus Zinovjev. Volgden weer jaren van armoede, ontgoocheling en gedwongen misdadigheid.

Na de oorlog worden Zinovjevs memoires minder interessant. Hij heeft beslist een zeer goed oog voor merkwaardige maatschappelijke verschijnselen. Zo beschrijft hij de vreemde Russische karaktertrek "je naaste te helpen eronder door te gaan". Toen hij eens het plan opvatte zelfmoord te plegen en gigantisch begon te drinken, ontmoette hij niks dan begrip en liefde in zijn vriendenkring. “Toen ik later met drinken stopte en gezond ging leven, reageerden mijn vrienden daar kwaad en afgunstig op.” Maar Zinovjev verpest het vaak door zijn wetenschappelijke pretenties en zijn bijna wanhopige eigendunk. Hij wil maar bewijzen dat hij als enige de wetten van het sovjetsysteem heeft doorgrond en dat maakt een enigszins potsierlijke indruk, temeer daar allerlei ploertengedrag als afgunst, broodnijd, collaboratie en kruiperigheid, zoals hij zelf trouwens ook niet ontkent, van alle tijden en alle systemen zijn.

Het tragische van Zinovjev is dat hij zich op dezelfde manier gedraagt als de dissidenten over wie hij zo misprijzend doet. Zijn leven is één groot gevecht geweest, eerst tegen de honger en de onderontwikkeling, toen tegen het stalinisme, tegen de middelmatigheid, tegen zijn collega-filosofen, tegen het brezjnevisme. Toen hij in het Westen kwam, vond hij weer niet de erkenning waar hij recht op meende te hebben en weer is hij het miskende genie, de eenling, de straatvechter, de soevereine staat uit de titel van zijn boek. “Een geniale eenling die heden ten dage ingaat tegen zijn duizenden collega's maakt geen enkele kans op erkenning. Dat voelde ik bijzonder scherp na mijn emigratie, toen ik zelfs de status van burger van een grote mogendheid kwijtraakte.” Dat is Zinovjev ten voeten uit en het zit hem danig dwars.

Zinovjev besloot zijn memoires in 1988. Dat is jammer, want zo mist hij de kans commentaar te leveren op het einde van het communisme, dat hij het eeuwige leven had toebedeeld. Ongetwijfeld zou hij betoogd hebben dat het communisme in Rusland voortbestaat en daar zijn wel wat argumenten voor aan te voeren. Maar niet daarvan moet zijn boek het hebben. Hij is op zijn best als hij verhalen vertelt. Zoals over zijn schoonvader, die kolonel was bij de KGB. Na de val van Beria werd hij met pensioen gestuurd, maar hij kon het spioneren niet laten. Hij zette in zijn eigen flatgebouw een compleet netwerk van vrijwillige informanten op, die de hele buurt terroriseerden. De KGB moest er eigenhandig een stokje voor komen steken.