De afgezaagde tak

Karel Dibbets e.a. (red.): Jaarboek Media Geschiedenis 4, Nederlands-Indië. Uitg. Stichting Mediageschiedenis Amsterdam, 217 blz. Prijs ƒ 29,90.

Carry van Bruggen (1881-1932), de schrijfster van Prometheus die ook een aantal jaren in Nederlands-Indië heeft doorgebracht, heeft een paar aandoenlijke beschrijvingingen nagelaten van haar ervaringen met het toen nieuwe communicatiemiddel radio.

De naam van het ding waar ze in moest spreken kon ze zich niet meer herinneren: "Het was rond, het was van metaal, met waaierglanzen als een nieuwe, maar niet meer spiksplinternieuwe gulden, of als de bovenkant van een hoge hoed. En het zat in een kastje.'

Ook in de studio lag het onbegrijpelijke overal in hinderlaag: "vervaarlijke lampen van ik weet niet hoeveel duizenden Volts - wat een Volt is weet ik trouwens evenmin - die daar als helse ogen stonden te gloeien in het afgesloten vertrek, dat voor mij met zijn snoeren en instrumenten nog het meest op een folterkamer leek..'

Of het inzicht in nieuwe technieken nu veel groter is dan toen weet ik niet, maar het is op het ogenblik bijna onmogelijk een uitvinding te bedenken die buiten ons verwachtingspatroon valt. Carry van Bruggen was ongeveer van de generatie van mijn grootouders, voor wie radio niet alleen onbegrijpelijk maar ook volkomen onvoorzien was, grenzend aan het bovennatuurlijke: het feit dat iemands stem op duizenden kilometers afstand gehoord kon worden, een vermogen dat tot dusver alleen aan het Woord Gods was voorbehouden, en dan nog bij hoge uitzondering. En daar klonk nu haar eigen woord, wonderbaarlijk vernomen door ongetelde verre onbekenden. Hoe stelde zij het zich voor? Zij had "visioenen van luisterende mensen met koptelefonen gewapend, aan luidsprekers gezeten.. Ik voel het land in duister rondom mij heen uitgebreid.. Ik zie afstanden.. ik zie nachtelijk zwart.. Stille wegen en verlaten paadjes die naar lichte huizen leiden door tuinen waar in donker de antennes rijzen en binnen in de kamers zitten mensen aan luidsprekers.. ze luisteren en ze horen mijn stem...'

Een van die huizen was het onze, in de zg. "Buitengewesten', in de rimboe onder de sterren. Een "licht huis' is niet de meest voordehandliggende beschrijving voor het oranje schijnsel van onze petroleumlampen, maar in onze donkere tuin rees werkelijk zo'n antenne - een enorme, zeker 25 meter hoge verticale bamboe, gebogen aan de top en wuivend in de wind. Aan die top zaten drie glazen "ei'-isolatoren, en vandaar liep een draad schuin naar beneden, naar een raam van ons huis en daar doorheen naar binnen.

Dat had iets vreemds, want technisch gesproken was dat het omgekeerde van een bliksemafleider, een blikseminleider dus, een inrichting waarmee het hemelvuur beleefd werd uitgenodigd binnen te komen en dat is dan ook tot grote ontsteltenis van bewoners, personeel en huisdieren een keer gebeurd.

Al deze dingen maakten dat ook voor een jongen van tien de radio nog gehuld was in een waas van ontzag en mysterie, dat grote nieuwsgierigheid en experimenteerlust opwekte. Schema's tekenen, radio's bouwen - dat was voor mijn generatie een hobby waarvan het equivalent voor de generatie die met televisie is opgegroeid voor zover ik weet nooit bestaan heeft.

Een ander natuurlijk bijprodukt was trots op de prestatie: de verste uithoeken van het onmetelijke Nederlands-Indië waren in luttele jaren via de "ethergolven' (zoals men toen zei) met het moederland en elkaar verbonden. Dat hadden wij dankzij ons zegenrijke bewind en Philips dan toch maar voor elkaar gekregen. We hadden de NIROM (Nederlands-Indische Radio Omroep Maatschappij) en de PHOHI (Philips Omroep Holland-Indië): ik kan me nog iets herinneren van de ophef waarmee in 1938 de nieuwe NIROM-studio in Batavia in gebruik werd genomen en herkende niet zonder emotie in het Jaarboek Mediageschiedenis Nederlands-Indië het PHOHI-affiche: "Over de wereld klinkt Neerlands stem'.

Maar helaas, zoals altijd wanneer men zich nader in de details verdiept, moet de trots uit de kinderjaren wijken voor gemengde gevoelens. Ook uit de geschiedenis van de radio rijst het bekende beeld van Nederlands-Indië als een land waar uitsluitend Nederlanders woonden. Beschaamd lees je in de studie van René Witte in dat Jaarboek hoe er interventies in de Volksraad voor nodig waren (bij monde van Soetardjo, bekend van de naar hem genoemde petitie van 1936) om ook iets van een eigen omroep voor de bevolking van de grond te krijgen. De NIROM, met een budget van een half miljoen, had daar niet meer dan 70.000 gulden voor over; Soetardjo wilde de helft van het budget, wat in mijn ogen nog bescheiden is. Het werd uiteindelijk, kort voor de Japanse inval, 140.000 gulden. Dat alles nog gezwegen van de verbeten tegenwerking van allerlei instanties en "Europese belangengroepen'. Het met veel tamtam aangekondigde genereuze aanbod van "goedkope radiotoestellen voor de bevolking' door Philips devalueert wanneer blijkt dat het in feite ging om het dumpen van een partij toestellen die waren afgekeurd voor België, en zo blijft er bitter weinig over van al die grote taal die me uit mijn kinderjaren is bijgebleven.

Niet minder ontluisterend (en fascinerend) is de blik in de keukens van de PHOHI en de "Indië Programma Commissie', geboden door het archiefonderzoek van Marjan Beijering: een litanie van censuur en bemoeizucht, controlecommissies, raden van toezicht en persoonlijke willekeur, met als gevolg dat van het materiaal dat aan bod kwam bijna tien procent werd verboden of gewijzigd - niet in aanmerking genomen hoeveel als gevolg van zelfcensuur niet eens werd aangeboden.

Het is de moeite waard zich in eerlijkheid af te vragen in hoeverre het allemaal anders had gekund. Het is bijvoorbeeld een zonde tegen de vrijheid van meningsuiting om een uitzending te verbieden waarin herdacht wordt hoe de heldhaftige en vrijheidslievende Nederlanders het juk van de Spaanse overheersing hebben afgeworpen, maar dat het uitzenden ervan in een kolonie vragen is om moeilijkheden valt moeilijk te ontkennen. Het heeft iets moedwilligs, zoniet iets schijnheiligs, om daar nu verontwaardigd over te doen: je kunt van een bewind niet verwachten dat het de tak afzaagt waarop het gezeten is. Het gaat in mijn ogen dan ook om iets anders, namelijk om de vraag wat je dan redelijkerwijze van dat regime wèl had kunnen verwachten; anders gezegd in hoeverre vooroordelen, domheid, bekrompenheid en liederlijkheid de oorzaak waren dat er op dit gebied meer werd gedaan dan nodig was, op de manier van een chirurg die zijn patiënt beide benen afzet hoewel hij alleen maar een voet hoefde te amputeren (wat deze beeldspraak en passant illustreert is dat het doel, de patiënt te behouden, er zeer tot ons nadeel niet mee werd gediend; die benen blijken in laatste instantie eigenlijk niets anders te zijn geweest dan de tak waar wij op zaten). Deze vraag, die volgens mij essentieel is voor het beeld dat wij ons vormen van het koloniale verleden, wordt - ook weer volgens mij - in de gangbare Nederlandse geschiedschrijving niet onderkend of bewust uit de weg gegaan.

Het boeiendste hoofdstuk in het Jaarboek wat deze vraag betreft is de bijdrage van Soeluh van den Berg over de Nederlands-Indische filmkeuring, waarop ik bij gelegenheid nog eens terug hoop te komen.

De reiskameraad