Brieven

Ja, de brieven van Gustave Flaubert. (Ik vervolg mijn stukje van vorige week).

Er is in alle kunsten een bijzondere categorie die over de genres, de scholen, de stijlen, de theorieën en de tijdvakken heenreikt en dat is de categorie van de aanstekelijkheid. Het is daarmee strikt persoonlijk gesteld. Kijk ik bijvoorbeeld in de schetsboeken van Picasso of zoals onlangs naar een verzameling tekeningen van Saul Steinberg of een poosje geleden naar de collage's van John Heartfield, dan krijg ik zin om ook aan de slag te gaan; niet om een van deze kunstenaars na te doen maar om zelf naar hartelust met potlood, schaar en lijmpot aan de slag te gaan. Zo is het ook met de brieven van Flaubert. Het geeft - om ieder misverstand te vermijden - niet het gevoel van dat kan ik ook, maar wekt het verlangen naar de lust tot doen.

Nu wilde het toeval dat juist vorige maand de correspondentie tussen Flaubert en George Sand in Engelse vertaling is gepubliceerd (uitg. Knopf, 428 blz., 35 dollar). Als dit boek niet aanstekelijk werkt geeft het in ieder geval uren leesgenot en afgezien daarvan kan het weer een andere kijk geven op de Frans-Duitse oorlog van 1870-71, de Parijse Commune en het ambacht van het schrijven, om nog een paar voordelen te noemen.

De correspondentie begint in januari met een brief van Flaubert die verloren is gegaan. Sand, dan 62, heeft een waarderend artikel geschreven over Flauberts Salammbô dat door de kritiek in het algemeen en Sainte-Beuve in het bijzonder korzelig is ontvangen. Flaubert, 45, heeft dat niet op zich laten zitten en met een paar boosaardige stukjes geantwoord. De kritiek van Sand moet hem balsem zijn geweest. Ze kennen elkaar nog niet of zeer oppervlakkig. Hij bedankt haar in een brief of briefje; dat weten we niet. Sand schrijft hem terug: “Mon cher frère, Dank mij niet omdat ik mijn plicht heb gedaan. Als de critici hun plicht doen houd ik me stil: ik schep liever dan dat ik oordeel. Maar alles wat ik over Salammbô had gelezen voor ik Salammbô las was onrechtvaardig of onvolledig, en ik had het laf of lui gevonden - dat is eigenlijk hetzelfde - als ik had gezwegen.”

Het is een prachtige ouverture. De brief van Flaubert laat niet op zich wachten. Al drie dagen later - de posterijen waren uitstekend in die dagen - schrijft hij: “Chère Madame, Ik ben niet dankbaar omdat u gedaan hebt wat u uw plicht noemt. Ik was getroffen door de goedheid van uw hart en uw sympathie heeft mij met trots vervuld. (-) Al mijn genegenheid draag ik u toe. Ik kus uw beide handen, en ben de Uwe, Gve Flaubert.” Nadat hij zijn adres nog eens heeft opgeschreven schiet hem een PS te binnen: “Ik zou graag een portret van u willen hebben om dit aan de muur te hangen van mijn huis op het land waar ik dikwijls lange maanden geheel alleen ben. Is dat een indiscrete vraag? Mocht dat niet zo zijn, aanvaardt dan bij voorbaat mijn dank.”

We zijn nu pas op pagina zes van de eigenlijke correspondentie (die vooraf wordt gegaan door een compacte inleiding en twee chronologieën). Tussen de brieven worden hier en daar verklaringen gegeven voor situaties waarin Flaubert en Sand zich op het ogenblik van datering bevonden. Verder houden ze elkaar goed op de hoogte van hun gezondheid, hebben griep, keelpijn, zijn verkouden. Dat blijft altijd hetzelfde; een goede correspondentie kan niet zonder kwalen; anders is het onmenselijk. Maar voor de rest kan de lezer met deze brieven alle kanten op.

Om bij het schrijversblok te blijven: Sand is bang dat Flaubert zich zal doodwerken. Hij stelt haar gerust. Om haar duidelijk te maken hoe ze zijn fanatisme moet zien schijft hij: “Ik zal het vergelijken met een soort uitslag. Ik krab mezelf voortdurend en soms ga ik erbij schreeuwen. Het is lust en marteling tegelijk. En niets wat ik schrijf is wat ik wil schrijven. Want je kiest je onderwerpen niet; ze leggen zichzelf op. Zal ik ooit het mijne vinden? Zal ik ooit uit de hemel door een denkbeeld worden getroffen dat in volmaakte harmonie is met mijn temperament?”

Het is een lange brief. Op dezelfde dag - Nieuwjaar 1869 - schrijft Sand hem een kattebelletje waarin ze meldt dat ze haar kinderen naar bed heeft gebracht. “Maar ik wil niet eindigen zonder jou te hebben gekust, mijn grote vriend en groot geliefd kind. Mag 1869 goed voor je zijn en je roman voltooid zien.”

Zo ging dat toen in de literatuur in Frankrijk. Ik wil er nog dit van zeggen: dat die twee briefschrijvers, hoe verschillend ook, verenigd worden door hun toon die door al hun wisseling van stemmingen, onderwerpen en omstandigheden aardig blijft - niet in de moderne betekenis van aardig - maar ernstig, zonder kunstmatige belangstelling, plichtplegingen of Jantjes van Leiden. Maar anders kun je ook geen vierhonderd pagina's bijelkaar corresponderen.

Bij De Arbeiderspers verscheen vorig jaar een Nederlandse vertaling van de brieven van Flaubert en Sand: Wij moeten lachen en huilen. Vert. Edu Borger, 566 blz. Prijs ƒ 62,50.