Babel

In de zomer van 1920 vocht de Sovjet-Unie tegen Polen. Isaak Babel vergezelde de troepen onder Boedjonny en legde zijn ervaringen vast in "Rode ruiterij'. Aan deze uitgebeten verhalen lag zijn "Dagboek 1920' ten grondslag, nóg cryptischer, een trommelvuur van woorden en komma's.

Het gezicht van de oorlog: “... een veld vol verschrikkingen, bezaaid met in stukken geretenen, onmenselijke wreedheid, onwaarschijnlijke verwondingen, ingeslagen schedels, jonge witte naakte lichamen schitteren in de zon.”

En het omringende landschap: “Terug, avond, tussen de rogge hebben ze een Pool gegrepen, alsof ze op een dier jagen, weidse velden, bloedrode zon, gouden nevel, wiegend graan, in het dorp wordt het vee bijeengedreven, roze stoffige wegen, een oranje vlam, boerenkarren werpen stof op.”

Het meest frappeert mij nog Babels beschrijving van de wilg als een "zachtmoedige' boom. Is dit lyriek? Wanhoop? Wat moet een man niet onder ogen hebben gezien om de zachtmoedigheid van een wilg te onderkennen?

De vereniging van menselijke wreedheid met het mooie van de natuur is nergens zo schril als bij Babel. Mij lijkt dat we daarover niet moeilijk hoeven doen, dat hij gewoon heeft willen zeggen: het is er, zowel het één als het ander.

Hijzelf werd op 27 januari 1940 doodgeschoten in de gevangenis in Moskou.