Architect Andersson: "Ik wil Museumplein openleggen'

AMSTERDAM, 26 FEBR. “Net als een kamer muren heeft, moet ook een buitenruimte grenzen hebben. Het Museumplein heb ik met mijn ontwerp open willen leggen, juist door het te begrenzen.” Met zijn ontwerp voor herinrichting van het meest besproken plein van Nederland heeft de Deense landschapsarchitect Sven-Ingvar Andersson ernaar gestreefd een open plek te maken waarin de spanning tussen intimiteit en waardigheid die voor Amsterdam zo kenmerkend is, tot uitdrukking wordt gebracht. “De kunst is niet om details toe te voegen, maar om een nieuwe compositie te vormen.”

Veel van de nieuwe componenten van het plein stonden al vast toen Andersson en zijn Nederlandse medewerker Stephan Gall afgelopen najaar de opdracht kregen: het verdwijnen van de Museumstraat, het ondergronds parkeren, de uitbreidingen van het Van Gogh Museum en daarna van het Stedelijk. Wensen waren er ook in overvloed, van buurtbewoners en actiegroepen, museumdirecteuren, diamantairs, de winkeliersvereniging. “Iedereen wilde dat ik zjn probleem zou oplossen, en het stadsbestuur wilde een totaal-oplossing.” Om een duidelijke structuur te scheppen heeft de ontwerper zelf nog een aantal elementen toegevoegd: een "nieuw' plein naast het Concertgebouw, een vijver voor het Rijksmuseum, een nieuw gebouw op de hoek van de Gabriël Metsustraat en zelfs een uitbreiding van het Rijksmuseum waar het museum niet om had gevraagd.

Een van de structurele gebreken die Andersson en Gall hebben willen oplossen, was de verhouding tussen het Rijksmuseum en het plein. In een interview afgelopen najaar noemde Andersson het museum "te monumentaal'. “Van een afstand ervaar je de monumentaliteit wel, maar van dichtbij wordt het met de tuinen, hekken en bijgebouwen rafelig. De zuidkant krijgt nu een herkenbare, gebogen rand met een verhoogde piazza als overgang tussen het museumgebied en de vijver.”

Dezelfde onduidelijkheid constateert hij aan de stadskant van het museum. “Om dat te verbeteren wordt het toegangsgebied verbreed als een verhoogde trappenpartij. De ingang wordt smaller en daardoor meer herkenbaar.”

Het schetsontwerp voorziet ook in met gras begroeid talud van vijf tot zes meter hoog dat over de parkeergarage en de uitbreiding van het Stedelijk wordt gelegd. Moet je, om een gevoel van ruimte te scheppen, een van de belangrijkse instellingen op het plein aan het oog onttrekken? “Deze helling moet je vooral zien als een illustratie van mijn streven naar weidsheid,” zegt Andersson. “Het is belangrijk om het museum te zien als je er voorbij loopt; in de Paulus Potter- en de Van Baerlestraat blijft dat zo. Ik vind ook dat de ingangen van het Stedelijk en het Van Gogh niet op het plein moeten komen. De uitbreidingen zelf moeten zo abstract mogelijk van vorm worden.” Andersson is het eens met de keuze van het ontwerp van Venturi voor de uitbreiding van het Stedelijk, en hij heeft goede hoop dat hun wensen voor die plek te combineren zijn.

De herinrichting van het Concertgebouwplein is geïnspireerd op een oud-Hollandse bron: een schilderij van Hobbema van een populierenlaan in Middelharnis. “Alleen zijn het hier lindebomen van het Museumplein die hier worden verplant. Als je aan komt lopen vanuit de De Lairessestraat zie je een gebogen wand van bomen die doorloopt tot bij het Rijksmuseum.”

Een sterk sculpturaal element is de "Lange Lijn', de soms kronkelende, soms kaarsrechte verlichte baan die dwars over de grasvlakte loopt en de fontein op het Concertgebouwplein met die naast het Rijksmuseum verbindt. Wordt daarmee niet onnodige verwarring gezaaid in deze met moeite veroverde weidsheid? Andersson glimlacht: “Je hebt die verwarring juist nodig. De as van het Rijksmuseum is zó sterk, dat er behoefte is aan nog een element dat je op andere kwaliteiten van het plein wijst. Naast monumentaliteit en openheid biedt het Museumplein straks ook intimiteit: de bloementuin, de bomengroepen en het wandelpad langs de noord-oostrand.” Toen Andersson gisteren in Amsterdam aankwam kreeg hij in het vliegtuig het beeld aangereikt dat hem met de Lange Lijn voor ogen stond: “Tussen de wolken werd beneden het licht op talloze slootjes en rivieren weerspiegeld. Als glinsterende linten door het landschap.”