Als de taal het laat afweten; Nieuw experiment met het brein door J. Bernlef

J. Bernlef: Eclips. Uitg. Querido, 168 blz. Prijs ƒ 29,50.

Wat J. Bernlef deed in Hersenschimmen (1984) was eigenlijk niet mogelijk en juist daarom natuurlijk zo aantrekkelijk voor een schrijver. Hij liet een ik-figuur, lijdend aan de ziekte van Alzheimer, zijn eigen ondergang vertellen. Er waren zelfs lezers die meenden dat hij deze ziekte zelf een tijdlang onder de leden moest hebben gehad. Anders had hij immers nooit op zo'n overtuigende manier kunnen beschrijven hoe het voelt om dement te zijn.

Bernlef verkent graag de grenzen tussen leven en dood, spreken en zwijgen, binnen- en buitenwereld. In Vallende ster (1989) deed hij dat door een acteur zo ongeveer zijn eigen dood te laten beschrijven. Ook in zijn nieuwe roman Eclips voert hij een soort experiment uit met het menselijk brein. Anders dan in Hersenschimmen laat hij iemand niet geleidelijk aftakelen, maar zichzelf juist hervinden en weer een min of meer normaal mens worden. De werkelijkheid krijgen we te zien door de troebele oogopslag van de patiënt. Wat hem mankeert wordt niet met zoveel woorden gezegd, maar het heeft veel weg van een lichte hersenbloeding, die hem een tijdlang tot een wereldvreemde maakt.

Het begin is overrompelend. We belanden meteen in het hoofd van de zieke. “Ik moet naar rechts, van de weg af. Omdat de linkerkant van de wereld verdwenen is, plotseling weg. Daarom moet ik wel naar rechts, de kaarsrechte vaart in,” zo begint de roman. Op deze bijna-verdrinkingsdood volgt een ontluisterende, maar ook nogal ontroerende ontdekkingsreis door een polderlandschap. Ontdaan van zijn geheugen, naam, geld, papieren en maatschappelijke waardigheid en gehuld in stinkende kleren probeert de man zich, op wankele benen, te hervinden. Alles is hij kwijt: zijn besef van tijd en ruimtelijk inzicht, zijn heden en verleden en zijn vermogen om te lezen, te schrijven en begrijpelijke taal te spreken. Alleen zijn denk- en associatievermogen is nog intact.

Bernlef verschafte zich een mooi uitgangspunt: een man die als het ware opnieuw geboren moet worden na zijn zonsverduistering, zijn ”eclips'. Hij moet zijn leven weer van de grond opbouwen en ook letterlijk heel maken, omdat zijn linkerkant is uitgeschakeld en hij de werkelijkheid maar voor de helft waarneemt. Mensen en verschijnselen doemen plotseling voor hem op en verdwijnen zomaar weer in het niets. Het is een fragmentarische wereld zonder verband, zonder verhaal. Bij een verlaten tuinhuisje probeert hij zich wat te fatsoeneren. “Eerst was ik mijzelf, voor zover ik mijzelf te binnen kan brengen dan. Halverwege mijn borst verliest mijn wrijvende hand zijn houvast en trekt zich ijlings onder mijn rechter oksel terug.”

Ook in figuurlijke zin is de man ”geëclipseerd', want verdwenen uit het openbare leven. Hij komt terecht bij andere ontheemden die aan de zelfkant leven: een zwerfster, een eenzelvige bejaarde, een stel autoslopers. Met deze mensen kan hij zich op een primitief niveau verstaan. Zij herkennen in hem een soortgenoot en geven hem eten en onderdak.

Hij komt terecht in een soort nachtleven, waarin men eet uit vuilnisbakken en verzamelt wat ”normale' mensen bij het grof vuil zetten. Normaal tussen aanhalingstekens, want bezien vanuit het zwerversperspectief is de gewone wereld niet zo gewoon. Eetbaar voedsel wordt er niet opgegeten, bruikbare spullen worden weggegooid en lelijke gebouwen, reclameteksten en gifbelten vervuilen het landschap. Een van de metgezellen van de man vat het zo samen: ”Een hoop kouwe drukte en bergen afval, dat is de maatschappij van tegenwoordig'.

Wereldvreemd

De beschaving, zo lijkt Bernlef met Eclips te willen zeggen, is niet veel meer dan een afspraak die door de taal bij elkaar worden gehouden. Als de taal het laat afweten, zoals bij zijn romanfiguur het geval is, dan is ook meteen alles weg. “Mijn gedachten ontsporen zo gauw ik ze uitspreek, in zinnen die ik niet gezegd wil hebben,” stelt hij vast. Deze ontsporingen maken het boek erg aantrekkelijk. De wereldvreemdheid van de man is soms eerder komisch dan tragisch. Zo stapt hij met een rammelende maag, maar zonder geld een snackbar binnen: “Laat mij, vanaf het begin, een verklaring doen uitgaan (-). Financiën zijn in het ongerede geraakt. U weet wel, rekeningen, afschrijvingen, nota's, betaalbewijzen, alles via de bank lopend, ook wel automatisch.”

Bij stukjes en beetjes reconstrueert de man zijn leven, maar zijn geheugen beperkt zich vooral tot vroeger, tot het voorgoed voorbije deel ervan. Zijn meer nabije verleden blijft zo goed als duister. Voorwerpen die hij tegenkomt doen hem denken aan vroeger, aan zijn ouders, zusje en oom, de lagere school en aan een schaatstocht die hij als jongen maakte en die eindigde in een wak, zodat hij, ook toen al, bijna verdronk. Deze herinneringen laten zich in zijn hoofd niet tot een verhaal samenvoegen.

Als hij na een week vermist te zijn geweest door de politie wordt gevonden, komt hij ineens weer bij zinnen. Dan pas herinnert hij zich weer dat hij een vrouw heeft, een zoon, een beroep en een woonplaats. Op dat moment, het moment waarop hij weer deelneemt aan de beschaving, vergeet hij wat hij heeft meegemaakt in die andere wereld.

Typisch Bernleffiaans is de gedachte dat er twee werelden naast elkaar bestaan. Er is de zogenaamde echte wereld, een kunstmatige waarin wij geacht worden bepaalde rollen te vervullen en ons gepast te gedragen. En er is een andere wereld, waarin alles blijft zoals het was, een tijd- en ruimteloze wereld vol oerervaringen en eerste indrukken. In Eclips beschrijft hij een uitstapje naar die andere wereld. Zijn romanfiguur daarentegen is desgevraagd niet in staat om uit te leggen waar hij is geweest tijdens zijn afwezigheid.

Vandaar dat de dienstdoende agent, die toch iets wil noteren, de raadselachtige belevenissen van de man samenvat onder het begrip ”black-out', een samenvatting waar de man zich wel mee kan verenigen. Met dit woord komt de hele roman op losse schroeven te staan, want wat moeten we met een hoofdpersoon die zich bij nader inzien uit het verhaal terugtrekt?

Eclips is een onmogelijk roman, die beschrijft wat helemaal niet beschreven kan worden. Maar wie zou zo'n paradox niet graag op de koop toenemen? Wij lezers moeten het nu eenmaal hebben van mooie verhalen, ook al kunnen ze eigenlijk niet bestaan.