Wallage's trots is een typisch compromis; "En zo is de basisvorming echt een vernieuwing voor de jaren negentig: veel wordt overgelaten aan de scholen.'

"De invoering van de wet op de basisvorming heeft een einde gemaakt aan een twintig jaar slepende discussie.'' Als staatssecretaris J. Wallage van onderwijs dit zegt - en hij zegt het vaak - glimt hij van trots. Vanzelfsprekend is die trots niet. De middenschool waar hij jarenlang voorstander van was, zal er nu nooit meer komen. Maar de basisvorming is wel degelijk een onderwijsvernieuwing.

Een vernieuwing in de vorm van een typisch compromis. Verdedigers van de oude middenschool zijn ervoor, omdat scholen de basisvorming in theorie zo zouden kunnen invoeren dat het net een middenschool lijkt. Maar de tegenstanders van de middenschool zijn ermee akkoord gegaan, omdat scholen zoiets in de praktijk toch nooit zullen doen. Want voor wie dat wil, hoeft er niet veel te veranderen.

En zo is de basisvorming echt een vernieuwing voor de jaren negentig: veel wordt overgelaten aan de scholen. Als alle leerlingen na maximaal drie jaar maar min of meer voldoen aan de "kerndoelen' van de vijftien verplichte vakken is het goed. De vijftien vakken beslaan ongeveer 80 procent van de schooltijd. In de overige "vrije ruimte' kunnen scholen extra vakken geven. In feite schuilt in die grote vrijheid voor scholen de belangrijkste vernieuwing van de basisvorming.

De discussie over de middenschool liep in de jaren zeventig vast op de onverzoenlijke tegenstelling tussen de revolutionaire wens van de voorstanders om de bestaande schooltypen af te schaffen en het lesmateriaal drastisch te herzien, en aan de andere kant de vastberadenheid van de tegenstanders om juist alles volstrekt bij het oude te laten. Om de impasse te doorbreken vroeg het kabinet-Lubbers I in 1983 advies aan de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid. Die adviseerde in 1986 de verschillende schooltypen gewoon te laten bestaan, maar alle kinderen in de eerste drie jaar ongeveer hetzelfde "basispakket' aan kennis en vaardigheden aan te bieden. Dat advies leidde uiteindelijk tot de Wet Basisvorming die vorig jaar door het parlement werd aangenomen en in augustus van kracht wordt.

Daarmee is de middenschool definitief verdwenen als onderwijskundig ideaal. Kinderen krijgen in het laatste jaar basisschool, als vanouds, een schoolkeuze-advies. Het handjevol bestaande, exprimentele middenscholen wordt opgeheven - ook de door de toenmalige wethouder Wallage opgerichte middenschool in Groningen. Ook de vakken die leerlingen in de basisvorming krijgen zijn vertrouwd, met uitzondering van twee nieuwe: techniek en verzorging.

Een beetje trots mogen voormalige voorstanders toch wel zijn. De kerndoelen zijn zo geformuleerd dat de leraren veel meer dan vroeger de nadruk moeten leggen op praktische toepassing van de kennis en op de samenhang met andere vakken. Leerlingen moeten "vaardigheden' opdoen, en niet alleen maar feiten uit het hoofd leren. Het is ook mogelijk dat vakken - of onderdelen van vakken - worden samengevoegd: aardrijkskunde en geschiedenis, of wis- en natuurkunde. De school mag dat zelf beslissen.

Een andere reden voor tevredenheid zal zijn dat de scheiding tussen deschooltypes, zo gehaat door apologeten van de middenschool, nog iets verder zal vervagen. Scholengemeenschappen van MAVO, HAVO en VWO waren al vrij gewoon, maar sinds duidelijk werd dat de basisvorming er zou komen, neemt het aantal scholengemeenschappen dat ook een VBO-afdeling telt snel toe. Hoewel fusie niet verplicht wordt gesteld, meent Wallage dat de basisvorming het best zal werken op brede scholengemeenschappen: van VBO tot gymnasium. Pas dan behoort uitstel van studiekeuze of eventuele tussentijdse overstap echt tot de mogelijkheden. Veel schoolbesturen delen die mening, getuige de gestage groei van de brede scholengemeenschappen.

Maar uiteindelijk kunnen toch de tégenstanders van de middenschool het meest tevreden zijn. Van de zo gevreesde "eenheidsworst' zal geen sprake zijn. Ook de zelfstandige gymnasia kunnen gewoon blijven bestaan. Alleen het techniek-lokaal en de leraar verzorging zullen nieuw zijn. Grieks en Latijn worden ondergebracht in de vrije ruimte. Ook in tempo blijven grote verschillen bestaan. HAVO- en VWO-leerlingen zullen de basisvorming waarschijnlijk al in twee jaar voltooien. Voor sommige VBO-leerlingen die de basisvorming niet in drie jaar zullen halen is de "combinatievariant' bedacht, waarbij ze een jaar extra krijgen en de basisvorming kunnen combineren met beroepsvoorbereidende vakken. In feite leidt de basisvorming zo tot afschaffing van de oude brugklas, waardoor het middenschool-ideaal van gemengde klassen verder weg raakt dan ooit. Want om de VWO- en HAVO-leerlingen de kans te geven de basisvorming in twee jaar te voltooien worden ze al in het eerste jaar op school gescheiden van leerlingen met een ander schooladvies. Sommige scholen hebben zelfs al aparte gymnasium-, athenaeum-, HAVO-, MAVO- en VBO-instromen gemaakt.

Pas over een jaar of vijf zal het mogelijk zijn om te beoordelen of de basisvorming veel heeft veranderd. Omdat scholen bij de basisvorming veel van de gevaren van vernieuwing in eigen hand kunnen houden is het compromis uiteindelijk aanvaardbaar geworden voor zowel conservatieven en progressieven. Basisvorming is maar net wat de school er zelf van maakt.