Vòòr de lente snel een hoed

De val van het ijzeren gordijn heeft verandering gebracht in de hoofddekselloosheid van de mens. Een stroom bontmutsen, echt en imitatie, kwam deze kant op. Met de mutsen uit het Oosten, raakte ook de fluwelen hoed populair. Zo'n slap velours geval met brede rand staat zo leuk dat je hem zelfs binnen zou willen dragen.

Op de hoedenafdeling van warenhuizen is het vaak merkwaardig druk, met giechelende meisjes, elkaar keurende vriendinnen, verliefde paren en eenzame maar strenge probeersters. Iedereen wil zichzelf wel eens kennen "met hoed'. Geheimzinnig met een voile, romantisch met stro en bloemen, retro met een dopje, warm met een bontmuts, streng maar sexy met een vilthoed. Negen van de tien keer wordt er driftig gepast totdat die ene hoed die zo fantastisch staat is gevonden. Daarmee blikt de draagster triomfantelijk en verrast in de spiegel, haar vriendin zegt "enig', man of vriend zegt, "ja leuk' en daarna wordt de hoed teruggelegd op de plank. Want een hoed, dat is om van te dromen en niet om te dragen.

Naast de hoed is er de wollen muts. Die is wel om te dragen, maar niet om mee in de spiegel te kijken want hij staat onveranderlijk raar. Of op zijn best: gezellig winters. De muts wordt veel vaker op een hoofd aangetroffen dan de hoed, omdat de muts doorslaggevende voordelen biedt. Hij is warm, ook over de oren. Hij past zo goed dat hij niet afwaait, tenzij er een echte storm woedt maar daar is nu eenmaal niets tegen bestand. Hij heeft geen rand waar men tegen aankijkt of die door jaskraag of das steeds zo opgewipt wordt dat de hoofdbedekking meewipt.

Het leek er dus op dat de hoed voorgoed voorbij was, alleen geschikt voor dames in rijtuigen of in een auto met chauffeur of voor op windstille dagen. Bovendien, nog afgezien van de praktische moeilijkheden, hoeveel pogingen er ook gedaan werden om iets aan de hoofddekselloosheid van de mensheid te doen, zodra het niet meer vanzelfsprekend was bleef iedereen die er wel eens een opzette daaronder kijken met een gezicht van: ik durf best en ik doe het ook. Niet ontspannen. Niet vanzelfsprekend.

De val van het ijzeren gordijn heeft daarin verandering gebracht. Een stroom bontmutsen, echt en imitatie kwam deze kant op. De bontmuts met twee kleppen voor de oren die bovenop vastgemaakt kunnen worden, Russische mutsen met een rood sterretje, Oostduitse mutsen, grijze, bruine en zwarte mutsen en omdat ze uit het koude oosten komen en omdat die mutsen vroeger communistisch zijn geweest kun je ze heel goed dragen. De bontmuts, die een beetje royaal op het hoofd zit, staat onvergelijkelijk veel bekoorlijker dan de hoofdverkleinende, wangenopbollende wolmuts. Dat zag iedereen meteen toen de eerste bontmutsen de grens over kwamen. Dus al gauw waren er ook Nederlandse varianten te krijgen in vooral heel veel zachte soorten namaakbont. Zodra de thermometer onder de vier graden zakt is het heerlijk een bontmuts te dragen, nog extra heerlijk in het besef dat hij niet gênant staat maar uiterlijkverbeterend werkt.

Zou het nu door die mutsen komen dat ook de fluwelen hoed ineens zo aan populariteit heeft gewonnen, of is het een toevallige samenloop van omstandigheden? In ieder geval is het zo, veel vrouwen lopen met slappe fluwelen hoeden met een brede rand, dikwijls op een plaats omhooggeslagen en daar vastgezet met een strik. En ook kleinere fluweel velours hoedjes worden gedragen. Die zachte hoeden hebben hetzelfde voordeel als de muts. Men kan ze over de oren trekken waardoor ze niet meteen afwaaien zodra je op de fiets gaat zitten. Ze zijn alleen veel minder behaaglijk, meer voor tussen de vier en de tien graden.

De bontmuts en het fluwelen hoedje staan zo leuk dat je ze ook wel binnen zou willen blijven dragen. Van Amy Groskamp ten Have mocht een dame dit, dat wil zeggen, niet tijdens diners maar wel bij visites, of als ze ging tea-en in een tearoom. Bij het taartjeseten mochten zelfs de handschoenen aanblijven. Helaas maakt een bontmuts een vreemde indruk, hoe goed hij de draagster ook staat. Een fluwelen dopje daarentegen kan heel goed, en dat zie je dan ook wel eens in overdekte ruimtes. Zou dan eindelijk het moment zijn aangebroken waarop de hoed haar rentree maakt? Zou de zin: “Ik heb geen hoedengezicht” uit het spraakgebruik verdwijnen? Zou zelfs de man binnenkort weer massaal met een hoed de straat op gaan? Waarschijnljk is het niet, want zodra de oren zich zelf warm kunnen houden, neemt de behoefte aan iets op het hoofd, hoe leuk het ook staat, enorm af. Laten we nog maar even flink profiteren van deze laatste koude dagen. Lekker vaak een grote bontmuts op, voor het voorjaar al te opvallend te voorschijn komt. Want wie een bontmuts draagt kan onmogelijk oog in oog met een krokus staan.