Sjevardnadze tussen Scylla en Charybdis

MOSKOU, 25 FEBR. De sleutel voor het Russische imperiale denken ligt weer in de Kaukasus. Alles is Rusland de laatste anderhalf jaar kwijtgeraakt. Het rijk is gereduceerd tot een omvang waarvoor Catharina de Grote zich zou hebben geschaamd. En dus zijn zelfs de kleinste beledigingen Rusland nu te veel: overal voelen de Russen zich nu gekwetst, van het Balticum via Moldavië en Tatarstan tot de Oekraïne, waar voetbalsupporters van de club Sokol laatst bij een wedstrijd tegen Dinamo Moskou om het hardst "dood aan de Moskovieten' scandeerden.

Alleen in Centraal-Azië, het laatste gebied dat het Russische kolonialisme eind vorige eeuw wist te pacificeren, laat het lokale nationalisme Moskou vooralsnog koud, mede omdat de plaatselijke macht er uit eigenbelang wil doorgaan op de Sovjet-weg.

Maar in de Kaukasus komen de beledigingen het hardst aan omdat de Russen in de achttiende en negentiende eeuw zo hard voor dit gebied hebben gevochten. Nu de ogenschijnlijke rust in het noordelijk deel van de Kaukasus, dat nog altijd deel uitmaakt van de Russische staat, enigszins lijkt te zijn teruggekeerd, begint het onafhankelijke Georgië van Jeltsins vroegere halve bondgenoot Edoeard "Georgi' Sjevardnadze weer in het schootsveld te komen. De burgeroorlog tussen de christelijke Georgiërs en islamitische Abchaziërs is daarbij het breekijzer.

Het is minister van defensie generaal Pavel Gratsjov die de afgelopen dagen het Russische verlangen om weer politie-agent te spelen het heftigst heeft geuit. Dat merkten zaterdagnacht de bewoners van Soechoemi, de hoofdstad van het met Georgië in scheiding liggende Abchazië die grotendeels in handen is van de nationale garde van Sjevardnadze en vooral diens eigengereide minister van defensie, Tengis Kitovani. Een bombardement van Georgische stellingen door een Soechoj-jachtbommenwerper kostte één man het leven; dertien mensen liepen zware verwondingen op. Eergisteren gaf dezelfde Gratsjov, die in eigen land als "landverrader' onder vuur ligt van de radicale nationaal-communistische oppositie, de Russische troepen in Georgië (die in Abchazië en in Adzjarië zijn gelegerd) vervolgens ook nog eens opdracht om bij een aanval te “schieten om te doden”. Er zijn volgens Gratsjov in Georgië “strategische belangen van Rusland” in het geding.

Het waren de eerste ongegeneerde interventies van het Russische leger in de burgeroorlog tussen christenen en moslims in deze Kaukasische republiek. Tot afgelopen zaterdagnacht had Rusland steeds de indruk gewekt een bemiddelaarsrol te willen spelen.

De aanval was precies acht maanden geleden niettemin eigenlijk al aangekondigd, en wel door de Russische vice-president Aleksandr Roetskoj. In een telefoongesprek met Sjevardnadze zou luchtmachtgeneraal Roetskoj, een Afghanistan-veteraan die vóór zijn bekering tot Jeltsins democratie een der leiders van een radicaal-patriottische organisatie is geweest, volgens de Georgische president letterlijk hebben gezegd: “Ik laat een eskadron de lucht ingaan en zal jullie steden bombarderen”. Waarop Sjevardnadze in een open brief repliceerde: “Uw mores en ervaring kennende, is dit geen lege retoriek”.

Toch reageerde de Georgische president deze week geschokt. Waarschijnlijk niet eens alleen uit morele verontwaardiging over de schending van het vredesakkoord dat hij afgelopen zomer met collega Jeltsin in de badplaats Dagomys had gesloten. Sjevardnadze, vorig najaar gekerstend en nu daarom getooid met de christelijke naam Georgi, kent Moskou. Hij is ondanks zijn flamboyante verschijning en emotionele oprispingen ook gepokt en gemazeld als spijkerharde communist die in de jaren zeventig en tachtig geen mededogen had met dissidenten. Zijn waarschuwing afgelopen maandag in het parlement dat Georgië zich nu wel eens genoodzaakt zou kunnen zien om een “algehele mobilisatie” af te kondigen tegen eventuele Russische inmenging was evenzeer ingegeven door het feit dat die ene SU-25 zijn plannen in eigen land danig dreigt te doorkruisen.

Sinds Sjevardnadze begin maart vorig jaar als reddende engel in Tbilisi werd binnengehaald - de brede oppositionele coalitie die een paar maanden daarvoor de democratisch gekozen maar vervolgens steeds rabiatere president Zviad Gamsachoerdia had verdreven, zat na dit succes met de handen in het haar - en sinds hij vervolgens in oktober 1991 door 95,9 procent van de bevolking de facto als staatshoofd werd gekozen, heeft hij maar één doel gehad: de Russen kalmeren.

Ten eerste omdat er zonder Russische instemming geen vrede in Georgië mogelijk is. En ten tweede omdat de Georgische economie in een trots nationaal isolement geen enkele overlevingskans heeft. Vorig jaar is de industriële produktie al met bijna zeventig procent teruggelopen. Het transport via de havens ligt zo goed als stil en zelfs de landbouw kwijnt weg. De werkloosheid in dit land, dat door zijn scharreleconomie altijd een relatief hoge welstand kende, is inmiddels tot boven de twintig procent opgelopen.

Deze gematigde koers staat in Tbilisi echter permanent onder druk. Sjevardnadze mag in het parlement dan wel beschikken over een comfortabel grote fractie van ex-kameraden uit de Georgische communistische partij, in zijn naaste omgeving wordt zijn beleid om de haverklap gefrustreerd.

De gangmakers daarbij zijn de twee warlords die de gewapende macht in Georgië in handen hebben: minister van defensie Tengis Kitovani en commandant Dzjaba Joseliani van de Mchedrioni (de ruiterij). Kitovani is een voormalige bondgenoot van Gamsachoerdia. Eind 1991 liep hij met zijn nationale garde over naar het oppositionele kamp en nu controleert hij het officiële leger. Zo heeft Kitovani onlangs verklaard dat de omverwerping van Gamsachoerdia ruim een jaar geleden helemaal geen “volksopstand” was maar een doodgewone “staatsgreep”, aldus het tapijt van politieke legitimiteit onder de voeten van Sjevardnadze wegtrekkend. Joseliani, een tot militair geweld bekeerde dramaturg, leidt de concurrerende paramilitaire organisatie die zich, omdat ze de gewapende strijd tegen Gamsachoerdia als eerste is begonnen, bij de gratie van het nieuwe regime om god noch gebod hoeft te bekommeren en daarom soms als wilden tekeer kan gaan. Het zijn gewapende "ruiters' van Joseliani die de resterende aanhangers van Gamsachoerdia in het noordwesten van het land stelselmatig intimideren en zelfs niet terugdeinzen voor het provoceren van Russische militairen.

Deze mannen moet Sjevardnadze nu gedeisd zien te houden. Dat is geen eenvoudige opgave. Kitovani heeft de uitlatingen van Gratsjov gisteren namelijk al onmiddellijk ten eigen bate aangewend. “Een oorlogsverklaring”, aldus de minister van defensie, die beantwoord zal worden als de Russen zich niet bereid tonen Abchazië te ontruimen.

Dat is taal die de parlementariërs meer bevalt dan alle “principes” van de president, die klem zit tussen de Scylla in Moskou en de Charybdis van zijn eigen radicalen. In een resolutie heeft de Georgische volksvertegenwoordiging gisteren het bombardement van de SU-25 als “barbaarse agressie tegen de Geneefse conventie” aangeklaagd die kan leiden tot een “tweede Afghanistan”. Daar moet Sjevardnadze, de man van de voorzichtige manoeuvres, nu een mouw aan zien te passen. Op veel steun van Jeltsin hoeft hij niet meer te rekenen. Die heeft in eigen huis namelijk vergelijkbare problemen.