Schoolgaan in Stromenland

Ouders van twaalfjarige kinderen staan voor een cruciale beslissing, lijkt het. Naar welke school voor voortgezet onderwijs sturen ze hun kind? Maar de schoolcarrière is tegenwoordig lang en later kan nog heel wat worden doorgestroomd.

Tot de merkwaardigste bijdragen aan de literatuur behoort het in 1958 verschenen boek The Rise of the meritocracy 1870-2033, geschreven door de Britse socioloog Michael Young. Young onderzoekt in zijn boek - een sombere toekomststudie in de traditie van Brave New World en Nineteen Eighty-Four - hoe het kon gebeuren dat Engeland in het voorjaar van 2033 plotseling werd geteisterd door een golf van sociale onrust. Stakingen, opstootjes, een moordaanslag op een vakbondsleider en zelfs een bestorming van het ministerie van onderwijs deden de vraag rijzen wat er mis was gegaan in de perfect georganiseerde samenleving. Young gaat terug in de geschiedenis en beschrijft hoe de ouderwetse standenmaatschappij zich in de twintigste eeuw langzamerhand ontwikkelde tot een samenleving waarin het beginsel van de meritocratie heerste: niet de afkomst telde voor de positie die de burgers innamen, maar de eigen capaciteiten, vooral intelligentie. Kinderen werden daarom op een vroege leeftijd getest en naar intelligentie verdeeld over verschillende scholen. In het begin van de eenentwintigste eeuw was dit stelsel zo goed als voltooid: het eenvoudige werk werd door laag opgeleide, domme mensen gedaan en voor het werk op topniveau waren zorgvuldig geselecteerde en hoog opgeleide managers en geleerden beschikbaar. De leden van de afgeroomde onderklasse berustten in hun lot, want hoe het anders zou moeten wisten ze niet. Uiteindelijk liep het toch mis. Geleid door intelligente vrouwen - die uit solidariteit lid van de onderklasse waren gebleven - kwamen de arbeiders in opstand en als Young zijn relaas heeft voltooid weet hij nog niet wat het jaar 2033 verder nog in petto heeft.

Young is nu een gerespecteerd lid van het Engelse Hogerhuis. Zijn boek behoort tot de categorie van de achterhaalde science fiction, maar één ding had hij goed gezien. De meritocratie heft de oude tegenstellingen op, maar introduceert een nieuwe: die tussen mensen met veel en mensen met weinig opleiding.

Cruciaal moment

Geen wonder dat de ouders van twaalfjarige kinderen deze maanden het gevoel hebben dat ze voor een cruciaal moment staan. De basisschool is bijna achter de rug en nu gaat valt de beslissing hoe de toekomst eruit zal zien.

""De mensen worden steeds meer gerangschikt naar hun opleiding'', beaamt dr. Harry Ganzeboom, universitair hoofddocent aan de Katholieke Universiteit Nijmegen en een vooraanstaand onderzoeker van maatschappelijke ongelijkheid. ""Diploma's bepalen alles en zorgen dus ook voor ongelijkheden. Ze zijn niet alleen bepalend voor de latere beroepspositie, ze hangen ook met heel veel andere dingen samen. Schouwburgbezoek en andere vormen van kunstconsumptie bijvoorbeeld behoren tot de meest ongelijk verdeelde dingen die er zijn, en die worden veel meer door opleiding dan door inkomen bepaald.''

De meritocratie heeft in Nederland vaste voet aan de grond gekregen, en veel anders zat er ook niet op. Waar een samenleving modern wordt, industrialiseert en automatiseert, daar wordt steeds minder geaccepteerd dat mensen door hun afkomst zijn wat ze zijn. Eigen verdienste en capaciteiten moeten de doorslag geven. Behalve rechtvaardiger is dat ook doelmatiger: in een standenmaatschappij gaat te veel talent verloren, en dat kan een moderne samenleving zich niet veroorloven.

Onderwijs vervult in de meritocratie een sleutelrol. On the job-training is in veel gevallen moeilijk of onmogelijk geworden - geen manager kan het zich permitteren het besturen van het produktieproces door trial and error onder de knie te krijgen. Oudere toegangsroutes tot de arbeidsmarkt als de kerk, het leger of de overname van het familiebedrijf zijn steeds minder beschikbaar. Er moet dus geleerd en gestudeerd worden, en wie er niet aan mee wil doen is af. De anderen doen het namelijk wèl.

De race begint na de basisschool, maar eigenlijk zijn enkele belangrijke beslissingen dan al genomen. De ouderlijke ambities moeten het afleggen tegen de Cito-toets en het advies van de onderwijzer. Onderzoek leert dat ouders die adviezen ook steeds meer opvolgen.

En verder vallen heel wat andere beslissingen juist steeds later. De brugklas brengt een jaar uitstel van executie en ook daarna kan er nog heel wat omgezwaaid en "gestapeld' worden. De onderwijscijfers van het CBS (onlangs overzichtelijk samengebracht in de CBS-publikatie Het onderwijs vanaf 1950) laten het duidelijk zien: de groep leerlingen die na de MAVO of de HAVO de school de school laat neemt gestaag in omvang af. Een substantiële groep MAVO-verlaters stroomt door naar HAVO en VWO (20%). Ook de HAVO-verlaters zoeken het ook vaak hogerop in de eigen school: 15% stroomt door naar het VWO.

Prof. dr. Jaap Dronkers, hoogleraar onderwijssociologie aan de Universiteit van Amsterdam: ""De tussentijdse afstroom en de "gediplomeerde opstroom' is veel belangrijker gebleken dan oorspronkelijk met de Mammoetwet beoogd was. Dat is toch wel een van de triomfen van de scholengemeenschap. Doorstromen van MAVO naar HAVO en van HAVO naar VWO is in een scholengemeenschap tamelijk gemakkelijk. Je blijft in hetzelfde gebouw, soms heb je zelfs dezelfde leraren of dezelfde boeken. Vergelijk dat eens met het tijdperk vóór de Mammoetwet. Wie na de MULOnaar de HBS wilde, moest naar een ander gebouw en naar een school waar alles anders was - die vaak ook helemaal niet op die instroom was ingesteld.''

En ook na de scholengemeenschap komt er geen eind aan het lerende leven. Dronkers: ""Vroeger ging je met je HBS-diploma meteen werken, maar daar red je het tegenwoordig niet meer mee. Leerlingen die nu nog met VWO de arbeidsmarkt opgaan, doen het slechter dan HAVO-leerlingen die doorleren en daarna gaan werken.''

Inderdaad, het voortgezet onderwijs is van een eindopleiding steeds meer een tussenstap geworden. Driekwart van de MAVO-verlaters stroomt door naar het MBO. Slechts zo'n drie procent van hen stopt met leren, in 1968 was dat nog ruim 45%. Van de HAVO-verlaters gaat 40% naar het HBO en 25% naar het MBO. Tien procent stopt met leren, in 1968 was dat nog ruim 40%. In het VBO is het beeld al niet veel anders. De meesten stromen door naar MBO of leerlingwezen, een minderheid (10 tot 20%) houdt het onderwijs verder voor gezien.

Welke HAVO

Het kiezen gebeurt later, het gaat langer door, de macht van leraren en toetsers is toegenomen. Hebben ouders daan geen invloed meer op de toekomst van hun kind? Dronkers: ""Binnen het advies moet je nog kiezen naar welke school je je kind stuurt en daarmee kun je de schoolcarrière van je kind voor zo'n tien à twintig procent beïnvloeden. Dat lijkt weinig, maar vergeet niet dat je hier in ieder geval een variabele hebt die je kunt manipuleren.''

Van die tien procent, zegt Dronkers, komt ongeveer de helft voor rekening van de milieucompositie van de school - het percentage arbeiders en academici. ""Als je een gemiddeld kind hebt zullen zijn prestaties op een professorenschool iets lager worden gewaardeerd dan wanneer hij op een arbeidersschool zit. Maar dat moet je weer afzetten tegen het omhoogzuigende effect van zo'n school. Bij een hoog niveau van de leerlingen hoeft de leraar minder vaak iets uit te leggen. Dat komt weer ten goede aan de effectieve leertijd, daardoor kan de leraar meer verrijkingsstof aanbieden en daar kan de gemiddelde leerling weer van profiteren.''

Behalve de milieucompositie speelt de richting van de school een rol. Met uitzondering van het zuiden van het land doen protestantse en katholieke scholen het beter dan openbare. ""Verder zou ik gegeven de Cito-toets en het advies altijd zo hoog mogelijk inzetten'', adviseert de hoogleraar. ""Bij een HAVO-VWO-advies dus mikken op het VWO in een scholengemeenschap. Bij MAVO-HAVO-advies: mikken op de HAVO na de brugklas. Bij een MAVO-advies kan een categoriale MAVO een goede oplossing zijn, want de kans dat je daar uit valt is klein. Bovendien is de MAVO op sommige scholengemeenschappen een soort afvalbak, leraren geven het liefst les op de HAVO en het VWO. Wel kan het nuttig zijn om na te gaan of een categoriale MAVO een goede aansluiting heeft met een HAVO-school in de buurt, voor het geval dat er toch meer in blijkt te zitten.''

In het VBO-circuit (vroeger: VBO) gaat overstappen en upgraden veel moeilijker dan in het AVO-milieu. Als het advies zowel het VBO als de MAVO openlaat, moet er dus een tamelijk fundamentele keuze worden gemaakt. Wat werkgelegenheidsperspectieven betreft ontlopen de schoolsoorten elkaar op de kortere termijn niet veel, zegt Dronkers. Maar op de langere termijn zijn er voor de MAVO-verlater meer mogelijkheden voor doorleren. Goed informeren naar de doorstroommogelijkheden is voor de VBO-aspirant dus noodzakelijk.

Doorslaggevend

Maar hoe zorgvuldig en gewetensvol de ouders van nu een school voor hun kinderen uitkiezen, van doorslaggevend belang voor de schoolloopbaan is iets dat aan de directe ouderlijke controle ontsnapt, maar er volgens velen toch het produkt van is: de schoolprestaties zelf. Het is een onderwerp dat al door generaties onderwijskundigen en sociologen onderzocht is, want er ligt een bekend maatschappelijk probleem aan ten grondslag: de ondervertegenwoordiging van lagere milieus in de hogere regionen van het onderwijs. In dat onderzoek tekenen zich nu twee richtingen af. Volgens vele onderwijssociologen is er nog steeds sprake van een vaste band tussen ouderlijk milieu en het schoolsucces van hun kinderen. Maar onderzoekers die zich bezighouden met maatschappelijke mobiliteit vinden de laatste tijd steeds meer aanwijzingen dat deze relatie steeds losser wordt.

De Leidse socioloog F. van Heek constateerde in het begin van de jaren zestig dat ""een jongen, afkomstig uit het milieu der vrije beroepen en hogere employés, gemiddeld een minstens vijftien maal hogere kans maakt tot het voorbereidend hoger en middelbaar onderwijs te worden toegelaten dan een leeftijdsgenoot uit het milieu der niet-agrarische handarbeiders.'' Van Heek dacht eerst aan belemmeringen in de doorstroming, maar dat idee moest hij al snel opgeven. Het bleek niet zo te zijn dat intelligente arbeiderskinderen op het laatste moment van deelname aan het middelbaar onderwijs afzagen. Het talent ging al eerder verloren, het kwam niet tot ontwikkeling in het lager onderwijs. Van Heek en zijn medestanders zetten het "Talentenproject' op, een poging de potentiële talenten van arbeiderskinderen vroegtijdig op het spoor te komen en ze met compensatieprogramma's te redden. Onderzoekers na Van Heek stelden zich de vraag waaraan die achterstand van arbeiderskinderen geweten kon worden en stuitten op de kloof tussen wat op school op prijs wordt gesteld en de taal, waarden en idealen van de arbeidersgezinnen. De thuiscultuur wordt voortdurend gereproduceerd, vandaar het hardnekkige bestaan van de ongelijkheden.

Duchtig verkreukeld

Dertig jaar later is de eens zo overzichtelijke sociale kaart van Nederland duchtig verkreukeld. De arbeiders zijn in de middenklasse opgegaan en de vrije beroepen en de hogere employés eigenlijk ook. Sociaal-economische status is niet meer de krachtige onafhankelijk variabele die het vroeger was; in veel opzichten is de genoten opleiding daarvoor in de plaats gekomen. Meer dan het werk dat iemand doet hangt zijn scholing samen met zijn politieke overtuiging, zijn vrijetijdsbesteding en de manier waarop hij in het leven staat. De gepromoveerde historicus die na zijn AIO-schap geen vaste aanstelling kon krijgen laat zich moeilijk vergelijken met de afgevloeide fabrieksarbeider, maar beiden zijn werkloos. De academisch gevormde exploitant van vijf grands cafés in de binnenstad behoort in menig opzicht tot een andere categorie dan de kruidenierszoon en MBO-verlater die nu aan het hoofd staat van vijf supermarkts, maar beiden behoren tot de categorie der directeuren.

Ze stemmen anders, kijken naar andere televisieprogramma's, gaan naar andere culturele evenementen. En misschien volgen hun kinderen ook ander onderwijs. In de jongste editie van het Sociaal en Cultureel Rapport (1992) staat een tot nadenken stemmend tabelletje. In 1965 koos 16% van de kinderen uit een arbeidersmilieu voor het VHMO - zoals toen de HAVO en het VWO nog heetten - tegen 63% van de kinderen met ouders uit de hogere beroepen. In 1989 koos 12% van de arbeidersjeugd voor de HAVO en het VWO, tegen 51% van de kinderen uit de hogere beroepen. Op de cijfers en hun vergelijkbaarheid valt het nodige af te dingen, maar veel schot lijkt er in de onderwijsmobiliteit niet te zitten. Het SCP concludeert: ""de grote verschillen die kenmerkend waren voor de jaren zestig zijn niet veel verminderd in de achterliggende 25 jaar.'' Daarmee sluit het SCP aan op de ook door Dronkers menigmaal verwoorde these dat er uiteindelijk maar bitter weinig is veranderd. De directe invloed van de sociaal-economische status van de ouders op de schoolprestaties van hun kinderen mag dan zijn afgezwakt, de invloed van de opleiding van de ouders is daar min of meer voor in de plaats gekomen.

Het type onderzoek waarop deze conclusies zijn gebaseerd is het cohortenonderzoek: men neemt twee of drie generaties, bijvoorbeeld die welke geboren zijn in 1950, 1960 en 1970, men bekijkt hoe de samenhang is tussen ouderlijk milieu en schoolkeuze en men onderzoekt of nieuwere cohorten daarin verschillen van oudere. Een hele generatie onderzoekers ging op die manier te werk. Dronkers kwam in 1983 nog tot de conclusie dat er niets te merken was van een afnemende invloed van de sociale status van de ouders, evenals Peschar in 1987. Het had er alle schijn van dat de ouderlijke cultuur keer op keer gereproduceerd werd.

Een recent voorbeeld van onderzoek in deze traditie is dat van B.F.M. Bakker en S.P. Schouten, twee onderzoekers bij het Centraal Bureau voor de Statistiek. Zij gingen aan het rekenen met de gegevens van drie generaties, geboren in 1953, 1965 en 1971 en kwamen tot de conclusie dat het onderwijssysteem in de periode die door de drie generaties werd bestreken meritocratischer is geworden - de schoolkeuze is steeds meer in overeenstemming met de prestaties en steeds minder met het milieu van herkomst. Toch heeft dit er niet toe geleid dat de Nederlandse samenleving meer open is geworden, vinden ze. Ze stuitten namelijk op een nieuw verband: dat tussen de opleiding van de ouders en de schoolkeuze van hun kinderen. Hoe hoger de opleiding van de ouders was, des te hoger ook de variant van het voortgezet onderwijs waar hun kinderen na de basisschool op terechtkwamen.

De resultaten van het cohortenonderzoek waren voor de journalist Hans Wansink aanleiding in zijn recente boek Een school om te kiezen met vele decennia van onderwijshervorming af te rekenen. Na een overzicht van het tot 1986 verrichte onderwijskundig onderzoek concludeert hij ""dat de stelling dat onderwijs een wezenlijke bijdrage kan leveren aan vermindering van ongelijkheid tussen sociale groepen afdoende is gekritiseerd en ontkracht''.

Nieuws gemist

""Het is jammer voor de onheilsprofeten, maar het nieuws hebben ze gemist'', zegt stratificatiesocioloog Harry Ganzeboom. ""Ik heb me nogal geërgerd aan die sombere berichten van Wansink en het SCP. Er is wel degelijk een duidelijke trend in de richting van meer opleidingsmobiliteit. Zowel de invloed van het ouderlijke beroep als ook de invloed van de ouderlijke opleiding op het onderwijs van hun kinderen is aan het afnemen.'' Ganzeboom deed samen met socioloog Paul de Graaf van de Katholieke Universiteit Brabant onderzoek naar opleidingsmobiliteit en kwam tot een conclusie die haaks staat op de bevindingen van de onderwijssociologische mainstream. In de laatste tachtig jaar zijn de onderwijskansen voor iedereen toegenomen en aanwijzingen dat de invloed van het ouderlijk opleidingspeil toch een belangrijke factor is gebleven vonden Ganzeboom en De Graaf niet. ""Wij zien een snelle ontwikkeling in de richting van een open samenleving. Nederland gaat wat dit betreft op het ogenblik sneller dan veel andere Europese landen. In de afgelopen dertig jaar is het effect van het ouderlijk milieu op het uiteindelijk bereikte onderwijspeil van hun kinderen gehalveerd en we verwachten dat het effect over een jaar of dertig zo goed als verdwenen is'', zegt Ganzeboom. Hoe verklaart hij dat ruime verschil in bevindingen met de onderwijssociologen? Ganzeboom: ""Dat komt doordat wij naar een langere termijn kijken en ook wel doordat wij werken met veel grotere steekproeven. Het gangbare cohorten-onderzoek is beperkt van opzet en staart zich blind op het moment van de overgang van lager naar voortgezet onderwijs. Het negeert zo de vele keuzes die in de lange schoolloopbaan daarna nog worden gemaakt.''

Ganzeboom en De Graaf voegden een groot aantal bevolkingsonderzoeken samen en verkregen zo een bestand met gegevens van bijna 23.000 Nederlanders die tussen 1900 en 1970 zijn geboren. Daarin zaten ouderen en jongeren en na analyse van de voltooide opleidingen kwamen ze tot de conclusie dat er wel degelijk veel is veranderd. Niet de tendens naar een middenschool, maar vooral de verlenging van de onderwijscarrière was daarbij van belang. Ganzeboom: ""In de afgelopen tientallen jaren is het onderwijs enorm geëxpandeerd en een van de belangrijke gevolgen daarvan is dat steeds meer mensen steeds langer onderwijs volgen. Op steeds latere leeftijd worden er dus ook allerlei keuzes in het onderwijs gemaakt. Op latere leeftijd sta je wat meer zelfstandig in het leven en het effect is dus dat de rol en de invloed van de ouders in het onderwijs afnemen.''

Ganzebooms conclusie wordt ondersteund door recent onderzoek van Paul de Graaf en de Tilburgse socioloog Ruud Luijkx. Zij onderzochten de opleidingsmobiliteit van Nederlandse mannen aan de hand van een groot databestand en ontdekten dezelfde trend naar een open samenleving: er is een sterk afnemend verband tussen de opleiding van vaders en die van hun zoons. Ook zij zien de verklaring in de verlengde schoolcarrière. De eerste hindernissen worden door steeds meer leerlingen genomen ""en tegen de tijd dat de belangrijke beslissingen moeten worden genomen, wanneer de kinderen zestien of achttien jaar zijn, zijn ouders een aanzienlijk deel van hun beslissingsbevoegdheid kwijt'', schrijven ze in het nieuwste nummer van Mens en Maatschappij.

Het is aan de ouders van nu om uit te maken of dat nu zorg meer of een zorg minder is.