Redders in de schoolnood

Een school voor voortgezet onderwijs is wel de allerlaatste plaats waar ouders hun kind naar toe moeten sturen. Ten minste, die indruk wekt het leger van begeleiders dat de brugklassers opwacht, gereed om zich op hun problemen te storten. Een overzicht uit de schoolfolders.

De mentor "Een leraar die speciaal met zijn eigen klas praat over je studie, hoe je je voelt in de klas en op school. Hij zal proberen om je te helpen als je problemen hebt."

De counselor "Een specialist-leerlingbegeleider. Bij hem kun je terecht als je het niet meer ziet zitten op school, om wat voor reden dan ook."

De brugklasbegeleider "Een persoon bij wie de leerlingen terecht kunnen met vragen en problemen." En dat is een persoon "die over alle gegevens van de basisschool beschikt." En "iemand die wekelijks overleg met de klassedocent van de brugklassen heeft over het functioneren van de leerlingen en de klassen."

De klassedocent is dan ook "een persoon bij wie de leerlingen vooral terecht kunnen met hun vragen en problemen."

Remediale hulp "De begeleiding van leerlingen met leerproblemen."

Klasseleerling "Kinderen uit de vijfde klas van het VWO ontfermen zich ieder over vijf eerstejaars. Ze helpen hen op weg door de school, luisteren naar de problemen van 'hun' kinderen en zijn aanwezig bij klassefeesten."

Studiebegeleiding "Onder begeleiding van docenten wordt kinderen in een kleine groep geleerd hoe ze huiswerk moeten maken/leren. Deze begeleiding duurt acht weken en meestal geeft dit de leerlingen net dat stukje extra zelfvertrouwen en zelfstandigheid dat ze nodig hebben."

Steun-uren "Een uur per week om leerlingen individueel extra vakgerichte hulp te bieden."

Huiswerk-klas "Huiswerk maken onder toezicht van een docent." Dit is voor "leerlingen die thuis niet de mogelijkheid hebben om huiswerk te maken in een rustige omgeving."

Welk kind kan nog buiten de boot vallen met zoveel vangnetten onder de brugklas? Misschien worden leerlingen wel resistent tegen de begeleidingsmedicijnen van de school.

Counselor A. Luger-Veenstra, tevens conrector en lerares Nederlands op het Vossius-gymnasium in Amsterdam, ziet daarvan de eerste voortekenen: "Als een leerling er vroeger werd uitgestuurd, kreeg hij enorm op zijn falie bij de rector. Tegenwoordig zeggen die kleine broekjes als je ze d'r uitstuurt: 'O nee, we krijgen toch niet weer een goed gesprek he?'"