Nissen voor schoolnomaden

Een eigentijdse school heeft geen lokalen meer aan een lange gang, maar is een "leefruimte' met nissen, hoeken en studiezalen voor de leerlingen, de "paria's' van het schoolgebouw.

"Hier, dat is toch bijna een hotel?'' Conrector Cees Booij draait enthousiast een kraan open in het jongenstoilet op de begane grond van zijn school. Glimmende, grote wasbakken tegenover twee ruime toiletten en vier urinoirs. Booij wijst op de spiegelgladde muren. ""Zie je dat? Geen lichtknopjes. De verlichting wordt centraal geregeld, in de portiersloge. Om kattekwaad te voorkomen. Je weet toch hoe dat gaat? Gauw het licht uitdoen als je vriendje staat te plassen. Dat kan hier dus niet meer.''

In de centrale hal van het gloednieuwe Veurs College (MAVO, HAVO, VWO) in Leidschendam hangt om half vier een scherpe zeeplucht. ""Licht, hè?'', zegt Booij in de hal, die is opengewerkt tot aan het dak waarin een brandalarm is verwerkt dat automatisch de buitendeuren opent. Schoonmakers sjokken langs de dertig met overhead projector en video-aansluiting uitgeruste lokalen, waar overdag 670 leerlingen, 52 docenten, twee conciërges en twee "technische onderwijskundige assistenten' werken.

Tien miljoen kostte deze nieuwbouw, waarmee in februari 1991 werd begonnen. Resultaat: een licht, hypermodern gebouw, uitgevoerd in gedempt geel en grijs. Gele deuren zijn toegankelijk voor de leerlingen, blauwe enkel voor personeel.

""Geen agressiewekkende kleuren'', zegt Booij, die vanaf het begin bij de nieuwbouw was betrokken omdat hij de portefeuille "onderhoud' beheerde. ""Dat wil zeggen: ik kende het nummer van de loodgieter, daar hield het zo'n beetje mee op. Toen onze architect de eerste keer langskwam, vroeg hij: wat willen jullie? En wij zeiden: nou, een school. Maar zo werkt het dus niet meer tegenwoordig.''

Nieuwe eisen

Modern onderwijs stelt nieuwe eisen aan een schoolgebouw. Leerlingen zitten niet meer zes jaar lang in één en dezelfde klas, die volgens een vast rooster om de vijftig minuten en bloc van lokaal wisselt. Ze volgen steeds meer een naadloos passend individueel programma in telkens wisselende groepen, en met tal van tussen-uren. Ook het schoolleven raakt in hoog tempo geïndividualiseerd. ""Kijk, dit is een studieplein'', zegt conrector Booij, achter een rij tafels op de eerste verdieping met uitzicht op de centrale hal. ""Hier kunnen ze hun tussen-uren nuttig doorbrengen en toch in contact blijven met de rest van de school. En wij kunnen ook eens wat leuks voor ze doen: een projectje, een tentoonstellinkje.'' De planten rondom het studieplein zijn van plastic. ""In ons oude gebouw hadden we echte'', zegt De Booij, ""maar dat hou je niet vol, die redden het niet.''

Aandacht voor de individuele leerling blijkt ook op de verdieping waar de decanen zijn ondergebracht. Die leverden een paar meter kantoorruimte in voor een kast met voorlichtingsmateriaal over studie en beroep. ""Dat is ook een signaal'', zegt Booij. ""Denk eens na over je toekomst, joh.'' Groot succes zijn verder de Amerikaans ogende lockers in de hal, tweehonderd stuks, waar de leerlingen hun peperdure merkkleding kunnen opbergen. ""Dat voorkomt dat ze al die jassen meenemen het lokaal in'', zegt Booij. ""Bovendien zijn lockers veel netter dan een rij kapstokken.''

Het personeel komt ook aan zijn trekken. De vier leden van de schoolstaf - rector met conrectoren - kregen ieder een eigen kamer in een gang naast de hal. Aan een plastic knijpertje bij de rectorsdeur steekt de mededeling dat hij er niet is: ""S.v.p. melden bij een andere schoolleider.'' Booij: ""Het ouderwetse idee is dat je op elke verdieping iemand van de schoolleiding moet hebben, om de orde te bewaren. Maar dit is veel efficiënter. Ik kan nu zo bij de rector binnenlopen: joh, Cor, kijk hier eens even naar. Ik moet er niet aan denken dat ik voor elk wissewasje twee trappen op moet.'' Ander voordeel van een "directiehal', al mag Booij het van zichzelf eigenlijk niet zeggen: ""De drempel voor de leerlingen om binnen te komen vallen is wat hoger. En ach, als het echt belangrijk is komen ze toch wel.''

Er kwam een "vergaderkamer', druk gebruikt door de alle overlegcircuits die een moderne school rijk is. Eenmaal per week vergadert de schoolleiding onderling, eens in de drie weken met de personeelsraad, die ook apart vergadert. De medezeggenschapsraad vergadert, evenals de mentoren van alle school-afdelingen; de coördinatoren vergaderen; de basisvormings-commissie vergadert; er zijn sectie-vergaderingen; de leerlingbegeleiders vergaderen. ""Ik praat dus veel met mensen, ja'', zegt Booij, die voorrekent dat hij zo'n acht uur per week in besprekingen doorbrengt.

In het gebouw ontbreekt de aanvankelijk gewenste "relax-ruimte' voor docenten - die bleek de begroting toch te boven te gaan, hoewel Booij het idee nog steeds goed vindt. ""Je staat je de hele dag echt in het zweet te werken. Dan is het toch goed om een ruimte te hebben waar je even tot jezelf kan komen en een douche nemen, even wat zitten nadenken, in plaats van een aspirientje nemen in een tussenuur?'' Wel is er nu, behalve de gebruikelijke docentenkamer, een rustige werkkamer met telefoon. ""Je wilt wel eens met een uitgever bellen of zo.''

Sociaal dodelijk

"Zelfwerkzaamheid' is het toverword, beaamt de architect van de school, D. Roosenburg van het Haagse bureau Liag. ""Vroeger had je de lokalen aan een gang en één overblijflokaal en dat was het. Dat is volstrekt achterhaald, je hebt studieruimtes nodig, een informatiecentrum - bibliotheek, computerlokaal - waar leerlingen zelf hun gegevens kunnen zoeken en ermee aan de slag kunnen. Waar je misschien binnenkort ook je proefwerk op floppy disk kunt afleveren. Verder lopen leerlingen nu in alle richtingen door het gebouw, je moet dus ook nooit, zoals vroeger, éénrichtingsverkeer inbouwen op de trappen. Dat is sociaal dodelijk, je komt niemand tegen.''

Roosenburg zit sinds 1969 in de scholenbouw en, ondanks klachten over krappe budgetten, is het nu ""veel beter dan vroeger''. ""In de jaren vijftig was een school vaak echt niet meer dan een stalen skeletje met wat pre-fab vloeren. Ook al was het voor de normen van die tijd erg goed.'' In de boom-jaren zestig verrezen honderden tijdelijke scholen; nog altijd zijn er ongeveer 25.000 noodlokalen in het land, schat Roosenburg. Ook komt het nog steeds voor dat een school een gebouw laat neerzetten door een aannemer, die op zijn beurt een architect inhuurt - in plaats van andersom. ""Goedkoop, maar allesbehalve ideaal'', zegt Roosenburg. ""En jammer, want we kunnen nu zoveel meer dan vroeger.''

Dat laatste vindt ook de Amsterdamse architect Herman Hertzberger, die naam maakte met onder meer enkele Montessori-scholen. ""De leerlingen zijn de nomaden van het schoolgebouw, de paria's die continu rondlopen terwijl de docent zich in zijn eigen lokaal nestelt. Daarom moet een moderne school veel kleine ruimtes maken, veel nissen, veel hoekjes voor de leerlingen. Een groot middengebied voor gebruik tussen de lessen, met zicht op de lokalen. Een leerling moet zich vrij voelen, maar toch opgenomen in een groter geheel.''

Worden dat geen neo-truttige scholen, met een wirwar van nisjes en hoeken? ""Tja, je kunt wel op louter esthetische gronden een prachtig, onmogelijk gebouw neerzetten maar je hebt nu eenmaal te maken met de sociale gevolgen van je ontwerp, zeker tegenwoordig'', zegt Hertzberger. Roosenburg: ""Het Veurs College ziet er mooi uit, toch? Maar luister, ook als je het niet mooi vindt: een school is toch in de eerste plaats een gebruikersgebouw - en bovendien nog voor tamelijk gebouw-onvriendelijke gebruikers, en geen cultuurpaleis.''

En wat vinden de leerlingen van hun fonkelnieuwe onderkomen? Conrector Booij: ""Het is nog even wennen voor ze, dat zie je aan de manier waarop brugklassers en bovenbouwers elkaar bekijken in de aula. Territoriumstrijd. Dat hoort er nu eenmaal bij.''