Nieuwspraak op school

Avo-isering: vaak negatief gebruikte aanduiding voor de zegetocht van "algemeen vormend onderwijs' sinds de Mammoetwet van 1968. De groei van vooral MAVO en HAVO is ten koste gegaan van het beroepsonderwijs. Terwijl dat veel meer kans biedt op een baan dan een MAVO- of HAVO-diploma. Het ministerie probeert de "avo-isering' te keren door de vorming van brede scholengemeenschappen (zie daar).

Basisvorming: de eerste drie jaar van het voortgezet onderwijs volgen alle leerlingen tussen twaalf en vijftien jaar dezelfde vijftien vakken. Het tempo mag verschillen per school. Van de vijftien verplichte vakken moeten de "kerndoelen' (zie daar) in twee tot vier jaar zijn bereikt. Sleutelbegrippen in de basisvorming zijn: Toepassing, Vaardigheid en Samenhang, kortweg TVS.

Brede scholengemeenschap: school die over de gehele linie van het voortgezet onderwijs opleidingen aanbiedt: voorbereidend beroepsonderwijs (VBO), MAVO, HAVO en VWO. Critici mogen ze graag "leerfabrieken' noemen. Vrijwel altijd ontstaan uit fusies. Het ministerie stimuleert de vorming van dergelijke brede scholengemeenschappen, maar volgens sommige grote scholen meer met woorden dan met daden.

Categoriale school: school die geen deel uitmaakt van een scholengemeenschap. Het ministerie probeert zulke scholen te laten opgaan in bij voorkeur brede scholengemeenschappen (zie daar). Categoriale scholen zijn daar vaak tegen, uit vrees voor een aantasting van hun eigen identiteit of "sfeer'. Minimum aantal leerlingen: 240.

Circulaire-cultuur: pejoratieve aanduiding van de centralistische werkwijze in het onderwijs, waarbij de schoolleiding slechts uitvoerder is van tientallen door het ministerie bedachte regelingen. Staat in tegenstelling tot het ideaal van de "autonome school', waar al voorzichtig mee is begonnen. ""De circulaires komen niet meer elke dag, ze komen nu één keer per maand - gebundeld'', aldus een schooldirecteur.

Doorstroomprofielen: voorstel om de wirwar van vakkenpakketten te vervangen door vier "geprofileerde' afstudeerrichtingen in het HAVO en VWO: natuur en techniek, natuur en gezondheid, economie en maatschappij en cultuur en maatschappij. Ongeveer de helft van de vakken in een profiel zijn verplicht. Bedoeling is vooral om een betere aansluiting op vervolgopleidingen te bewerkstelligen.

Eindtermen: omschrijving per vak van de vereiste minimum-kennis van leerlingen na de basisvorming. Toen in 1990 een examen aan het eind van de basisvorming door de politiek werd afgewezen omdat dit een te grote inbreuk zou zijn op de vrijheid van onderwijs, werden de eindtermen omgedoopt tot "kerndoelen'. Zie ook daar.

Formatiebudgetsysteem: systeem waarbij scholen meer vrijheid hebben om naar eigen inzicht hun personeelsbudget te besteden. Wordt beschouwd als een belangrijke stap op weg naar de "autonome' school. Zo kan een school kiezen om in bepaalde vakken "hoorcolleges' te geven om met het zo uitgespaarde geld een extra computerdocent aan te stellen. Afgekort als FBS.

Frontaal lesgever: ook bekend als "pratend hoofd voor het bord'. De klassieke vorm van lesgeven, waarbij de leraar zijn verhaal afsteekt en de leerlingen moeten onthouden. In de basisvorming moet de les gevarieerder worden. Veel scholen maken al gebruik van overhead-projector, video en het werken in kleine groepjes.

Getuigschrift basisvorming: Als de leerling aan alle kerndoelen van de basisvorming heeft voldaan, krijgt hij of zij het getuigschrift basisvorming. Het getuigschrift is geen diploma en er kunnen geen toegangsrechten voor vervolgopleidingen aan worden ontleend.

Kerndoelen: minimum-niveau per vak van wat leerlingen na de basisvorming behoren te weten, begrijpen en kunnen. Vormen een zekere kwaliteitsgarantie voor de basisvorming, nu de scholen verder vrij zijn om de hoeveelheid lesuren per vak zelf te bepalen. Moeten nog door de Raad van State worden goedgekeurd. Zie toetsing.

Leefklimaat: een school moet "leefbaar' zijn, vindt onder meer het actiecomité voor scholieren LAKS. Synoniem voor een prettige, ongedwongen sfeer op school. Vormt begrippenpaar met "leerklimaat'. Begrippen vertonen enige verwantschap met recent in hoger onderwijs geïntroduceerde term "studeerbaarheid'.

Toetsing: om te bepalen of leerlingen de kerndoelen van een vak van de basisvorming hebben behaald, worden per vak toetsen afgenomen. De school moet de toetsen gebruiken die de overheid beschikbaar stelt, maar is vrij in het kiezen van tijdstip, organisatie en beoordeling van de toetsen. Als de leerling na twee, drie of vier jaar alle testen heeft gehaald, krijgt hij of zij een getuigschrift basisvorming.

VBO: voorbereidend beroepsonderwijs, tot juni 1992 nog lager beroepsonderwijs geheten. Onderwijssector met grootste problemen, door sterk dalend leerlingental. ""Geen enkele ouder wil zijn kind nog naar een beroepsopleiding'', aldus een leraar. Zie ook "AVO-isering'.

Voortgezet onderwijs: alle onderwijs dat op dagscholen wordt gegeven na het basisonderwijs (primair onderwijs) en vóór het hoger beroepsonderwijs en het wetenschappelijk onderwijs (samen het tertiair onderwijs). De wettelijke basis van het voortgezet onderwijs is grotendeels gelegen in de Wet op het Voortgezet Onderwijs van 1963 die zowel MAVO, HAVO, als ook VBO, MBO en het vormingswerk regelt.

Zitten blijven: ook in de basisvorming kan een leerling blijven zitten. Wel is het zo dat een leerling over VBO en MAVO niet langer mag doen dan vijf jaar. Daarom kan hij of zij maar een keer doubleren.