Lager loon kan door lage inflatie; Alle conjunctuur-indicatoren wijzen op snelle verslechtering economie

DEN HAAG, 25 FEBR. Fokker, DAF, Hoogovens - een zuchtje tegenwind in de economie leidt tot een flinke storm in de investeringsgoederenindustrie. Premier Lubbers zegt in het blad De Werkgever van de christelijke werkgevers (NCW), dat hij “in alle jaren als minister-president nog niet zo'n ernstige situatie (heeft) meegemaakt”.

Lubbers doelt daarmee echter niet op de economie, maar op het psychologisch klimaat. “Het grote gevaar is momenteel de onderschatting van de problemen.” Hij pleit vurig voor een nullijn voor de lonen. Maar hoe ernstig zijn de economische problemen, hoe slecht staat Nederland er nu werkelijk voor?

De cijfers over 1992 als geheel zien er nog tamelijk gunstig uit: de economie groeide met circa 1,5 procent. Daarbij speelt echter een rol dat het eerste kwartaal gunstig uitpakte, deels door de zachte winter en deels door de extra werkdag dankzij het schrikkeljaar. Er was wel degelijk sprake van een economische omslag. Die kwam in augustus.

De index voor de gemiddelde dagproduktie in de industrie, die in juli een maximum bereikte van 120,1 (1985=100), ging vanaf augustus gestaag omlaag, tot 108,1 in december. Deze cijfers zijn voor het seizoen gecorrigeerd, de invloed van zomer of winter speelt dus geen rol. In december 1991 lag deze index van de industriële dagproduktie nog op 114,6. Een daling in een jaar tijd van bijna 6 punten.

De omslag in de werkloosheid kwam eveneens in augustus. In juli bereikte het aantal geregistreerde werklozen een dieptepunt van 274.000. In de vier jaar tussen juli 1988 en juli 1992 was het aantal geregistreerde werklozen met 150.000 gedaald. Daarna kwam de ommekeer. Eind vorig jaar telde Nederland 328.000 geregistreerde werklozen, dat is méér dan in december 1991. Waarbij niet mag worden verzwegen dat de “geregistreerde” werkloosheid volgens het Centraal Planbureau de èchte werkloosheid nog aanzienlijk onderschat.

Dé conjunctuurindicator bij uitstek zijn de investeringen; ze vormen als het ware het vergrootglas van de economie. Hier kwam de omslag in het voorjaar van 1992. Na een stabilisering in 1991 groeide het volume van de bedrijfsinvesteringen in het eerste kwartaal van 1992, vergeleken met de overeenkomstige periode in 1991, nog met 11 procent. Het tweede en het derde kwartaal lieten echter een daling zien (-4 respectievelijk -1 procent). Als de tekenen niet bedriegen toont het vierde kwartaal een forsere daling.

En de export, Neêrlands groeimotor van de jaren tachtig? Internationale economische ontwikkelingen zorgden in 1992 voor een turbulent beeld. De Duitse economie zou volgens voorlopige cijfers in de tweede helft van 1992 gekrompen zijn, de Britse doet al jaren niet anders. Dus liet de waarde van de Nederlandse uitvoer in 1992, voor het eerst sinds 1987, het jaar van de beurskrach, een daling zien, van één procent. De waarde van de export naar Duitsland ging zelfs met drie procent omlaag tot 70,8 miljard gulden, de waarde van de uitvoer naar Groot-Brittannië daalde eveneens met drie procent, tot 22,6 miljard gulden.

Niet bekend

Zo resteert als belangrijkste "groeimotor' voor 1993 de particuliere consumptie. Stabilisator lijkt een meer adequate term. In 1989-1991 groeide het volume van de particuliere consumptie nog met gemiddeld bijna vier procent, in 1992 nog met slechts 1,6 procent en wat er dit jaar gebeurt is nog hoogst onzeker. Toch is er wel hoop. Want dwars tegen het algemene conjuncturele beeld in lieten de binnenlandse consumptiebestedingen door gezinnen in de tweede helft van 1992 juist een verbetering zien. Na een volumegroei in januari-juni van 1,3 procent volgde in juli-december een groei van 1,9 procent.

Macro-economisch is Nederland alleen maar gebaat bij een (verder) aantrekkende consumptie. Het overschot op de handelsbalans bedroeg in 1992, ondanks de waardedaling van de uitvoer, nog altijd 10 miljard gulden, nauwelijks minder dan de 12 miljard van 1991. En het overschot op de lopende rekening van de betalingsbalans is nog aanzienlijk groter (circa 16 miljard gulden). Er is dus meer dan voldoende ruimte. En een consumptieve vraag die de afzet van bedrijven stimuleert is ook goed voor de werkgelegenheid.

Veel hangt natuurlijk af van de loonontwikkeling en de CAO-onderhandelingen. Meer loon betekent niet alleen minder winst en minder export, zoals Lubbers lijkt te betogen, maar ook meer consumptieve afzet. Toch is het pleidooi van Lubbers alleszins verklaarbaar. Hoe gunstig hogere lonen ook zijn voor de consumptie, als de lonen niet meer in de pas lopen met de prijzen gaat het mis.

En het gaat goed met de inflatie, beter zelfs dan verwacht. De cijfers betreffen de prijsindex van de consumptie van werknemersgezinnen met in 1985 een gezinsinkomen beneden de ziekenfondsgrens, met 1985=100. Deze prijsindex daalde in januari 1993 met een half procent, na een bijna even grote daling in december. Het prijsniveau ligt daarmee inmiddels weer onder dat van augustus 1992. Die conclusie blijft overigens bij het gebruik van andere prijsindices onverlet.

Helaas - voor Lubbers - gebruikt men in de CAO-onderhandelingen doorgaans niet de maand-op-maand-inflatiecijfers, maar de twaalfmaandscijfers, waarin de ontwikkelingen vertraagd doorwerken. Tussen januari 1992 en januari 1993 steeg de consumptieprijsindex nog altijd met 2,5 procent. Natuurlijk is een (verdere) daling van dat cijfer, gelet op de jongste maandcijfers, meer dan waarschijnlijk. Toch lagen de bruto uurlonen in oktober 1992 (meer recente gegevens ontbreken) nog altijd 4,8 procent hoger dan in oktober 1991. De koopkracht stijgt dus. Aanvullende arbeidsongeschiktheidsverzekeringen mogen dan in 1993 geld kosten, daar staan lastenverlichtingen elders tegenover. De conclusie lijkt dus duidelijk: er is alle ruimte voor loonmatiging. Die matiging is goed voor de export, maar vooral voor de bedrijfswinsten.