INDUSTRIEPOLITIEK

Wat na de Tweede Wereldoorlog industrieel werd opgebouwd, wordt de laatste vijftien jaar versneld afgebroken.

Daar Kamerleden en ministers (op een enkele na) geen industrie-ervaring hebben, maar zichzelf wel een superieur inzicht toedichten, volgen foute beslissingen elkaar in hoog tempo op. Daarnaast lanceren vakbonden emotionele, weinig effectieve acties als "100 piek', maar een bijdrage aan een drastische verlaging van arbeidskosten zou nuttiger en logischer zijn. Minister Andriessen heeft al laten weten dat de regering haar aandelen (nieuwe) DAF over vijf à zes jaar aan een concurrent zal verkopen. Aan de Fokker-affaire is te zien dat de Nederlandse belastingbetaler, na van regeringswege briljant gevoerde onderhandelingen, voor de verliezen mag opdraaien. Te vrezen valt dat meer mensen hun baan zullen verliezen. Hoe zullen de vakbonden, die nu zo tevreden zijn over Fokkers verkoop, over vijf jaar hierover denken, en wat voor excuses voeren Kamerleden en (ex)ministers dan aan.

Wat nu bekend is, wijst op grote inkrimpingen bij DASA en Fokker; zowel van produktie als van personeel. De combinatie DASA met Fokker heeft minder toekomst dan Fokker alleen. Het is beter dat de overheid zich niet met bedrijven bemoeit en niet erin deel neemt; Kamerleden, ministers en ambtenaren zijn geen ondernemers. Als die bedrijven het niet kunnen redden, wijst dat of op slecht ondernemerschap of op externe factoren, zoals onmogelijke concurrentieverhoudingen. Er zijn geen aanwijzingen dat overheidsdeelname voor ondernemingen gunstig is, het tegendeel is eerder aangetoond. De taak van de regering is het kader te creëren dat een zelfscheppende, hoogwaardige technische industrie bevordert. Juist hier schiet de Nederlandse regering al jaren consequent tekort. Het is hoog tijd dat er een echte industriepolitiek in Nederland van de grond komt wil Nederland geen ontwikkelingsland worden.