In 't Nederlands gepubliceerd is niet gepubliceerd

Vooraanstaande scholen beginnen nu onderwijs in het Engels te geven. Welke sectoren van ons onderwijs dragen bij aan de culturele vorming van de natie? In de kleuterklas begint het al. Het kringgesprek is bijvoorbeeld te zien als een eerste kennismaking met onze nationale vergadercultuur. Maar ook de kennismaking met belangrijke elementen uit de Nederlandse volkscultuur, zoals de gebruiken bij Sinterklaas, Kerstmis en Pasen wordt in de kleutergroepen uitgediept. De commercie, de televisie, de tijdschriften, de pretparken en het gezin doen hier al veel voorwerk, maar in de kleutergroep kan dat alles worden besproken, geordend, in eigen maaksels worden geconcretiseerd en in het geheugen worden vastgelegd.

En verderop in het basisonderwijs, gebeurt daar iets aan culturele vorming? Ja, natuurlijk. Waar leert een kind anders lezen, schrijven en spellen? Dat is toch wel het officiele begin van de culturele vorming. Rekenen? Hoort dat ook tot de culturele vorming van de natie? Ja, als je van een breed begrip van cultuur uitgaat en als je goedvindt dat het niet iets speciaals voor de natie Nederland is. In alle andere naties leren de meeste schoolkinderen immers ook rekenen. In ons Cultureel Woordenboek is een hoofdstuk Wiskunde opgenomen.

De Amerikaan Paulos schreef Innumeracy, mathematical illiteracy and its consequences (1988) in het Nederlands bij Bert Bakker verschenen onder de titel Ongecijferdheid: de gevolgen van wiskundige ongeletterdheid (1989). De oud-leraar wiskunde Rudy Kousbroek schreef een nawoord waarin hij als een van de kenmerken van wiskundig inzicht noemt: "Vaardigheid en verlangen om met symbolen om te gaan en ermee te spelen, zelfs als ze nergens naar verwijzen, waardoor een imaginaire wereld wordt gecreeerd die de concrete wereld te boven gaat." De basis van het inzicht in de werking van het getalssysteem, een kerntaak van de basisschool, hoort in deze visie tot de culturele vorming. Alleen, het is geen specifieke Nederlandse vorming, en met Nederland als natie heeft het ook al niets van doen.

Aardrijkskunde en geschiedenis in het basisonderwijs zijn belangrijke bouwstenen voor de culturele vorming van de natie, want wat de televisie ook aan informatie mag geven en wat er al niet door een kind uit de bibliotheek kan worden gehaald, de school moet toch de systematiek aanbrengen, orde in de chaos scheppen en daarmee de basis leggen voor inzichten die een leven lang het denken zullen structureren.

Veel van de aardrijkskunde en geschiedenis in het basisonderwijs is specifiek op Nederland gericht, op de vorming van de natie, op de ontwikkeling daarvan, op haar huidig aanzien, op haar huidige bevolkingssamenstelling, op de wijze waarop zij geregeerd wordt, op haar grondstoffen, haar produktiviteit, haar kunsten en musea, haar lief en leed.

In de systematisering, categorisering, verwoording en onderlinge plaatsing van de informatie ligt de kern van de bijdrage van het onderwijs aan de culturele vorming van de natie. De kinderen zijn nog op een ontvankelijke leeftijd. Wat Nederland is, waarom een mens van Nederland kan houden, is dan nog goed over te brengen. En ook het eerste begrip voor de cultuur van de niet van huis uit Nederlandse bevolkingsgroepen, die een deel van de natie vormen, is op deze leeftijd te wekken.

Al gauw begint echter het gevecht om aandacht, om tijd. Als onderwerp wordt Nederland maf. De Nederlandse geschiedenis wordt saai, op een paar oorlogen en rampen na. Nederland wordt vooral ook te klein. Gezegend de leraar die zijn leerlingen zo weet te interesseren in de Nederlandse literatuur dat zij buiten de verplichte lijst gaan lezen. Hoeveel leerlingen doen dat? Hoeveel jongens vooral? Het specifiek Nederlandse deel van de culturele vorming van de natie komt dan meer te liggen bij de Nederlandse sterren van popmuziek en sport. Het onderwijs doet wat het kan, maar neemt in de aandacht en tijd van de leerlingen een steeds kleinere plaats in.

Bovendien wordt het onderwijs mondiaal. Natuurkunde en biologie bijvoorbeeld hebben dezelfde inhoud als in andere landen en richten zich ook op fenomenen die met Nederland als natie niet veel meer van doen hebben. Gelukkig is er de bedreiging van ons milieu! Dit drama wordt door leraren aangewend om de aandacht nog even te richten op de Nederlandse zaak.

Vooraanstaande scholen beginnen nu het onderwijs grotendeels in het Engels te geven. Lesstof en leerlingen raken internationaal gericht. Hoort de beheersing van het Engels als omgangstaal tot de culturele vorming van de natie? Een moeilijke vraag. Vooral als de tijd die daaraan wordt besteed afgaat van de beheersing van het Nederlands. Het draagt zeker bij aan de culturele vorming, al was het maar omdat de leerlingen beter gaan aanvoelen wat popsterren zingen. Maar van de natie?

De leraren Nederlands, geschiedenis en maatschappijleer houden dapper vol. Maar wat hebben zij het moeilijk! Intussen speelt het grootste deel van de culturele vorming zich af buiten school. Door de media raken leerlingen geinteresseerd in aspecten van de wereldcultuur. Het gemeenschappelijke daaraan is steeds moeilijker vast te stellen.

In het Cultureel Woordenboek probeerden we een hanteerbare en leesbare samenvatting te geven van wat gemeenschappelijke cultuurkennis zou kunnen inhouden. Voor de doorsnee leerling van Havo-VWO is dat al veel te veel. Vooral als je bedenkt dat onze lemma's alleen maar samenvattingen zijn en dat je meestal meer moet weten om met die kennis iets te kunnen doen.

De versnippering en uitwaaiering is compleet. Wie aan docenten in HBO en WO vraagt of zij bijdragen aan de culturele vorming van hun studenten zal meestal een aarzelend 'nee' te horen krijgen. Alleen bij de kunstopleidingen, de Pedagogische Academies, de studierichtingen Nederlands, Geschiedenis en Kunstgeschiedenis zal men bevestigend durven antwoorden. De rol van de media, de kranten en de weekbladen voorop, is in deze fase vele malen groter dan die van het onderwijs. Het onderwijs draagt dan voornamelijk bij door de studenten onderdak te verschaffen waar zij met elkaar over cultuuruitingen en over politiek kunnen praten. Toen ik nog colleges gaf aan grote groepen eerstejaars ergerde ik mij als studenten de krant gingen lezen. Ik kon meestal niet zien wat ze lazen, maar stel nu eens dat het het Cultureel Supplement van NRC Handelsblad was, of de bijlage Folio van de Volkskrant?

Zeker, men zal kunnen constateren dat de studenten dank zij de basisschool en het voortgezet onderwijs goed hebben leren rekenen. Vooral de problemen van afronding in de buurt van de 5 en de 6 blijken ze te beheersen. Kousbroek is hier op zijn wenken bediend. Van liefde voor het Nederlands is evenwel niet veel te merken. Alleen in de reservaten voor de studenten Nederlands kan men daarvan nog iets aantreffen. In andere vakgebieden heet het nu: in het Nederlands gepubliceerd is niet gepubliceerd.

Regelmatig uiten zich nog begaafde sociologen in mooi Nederlands over belangrijke aspecten van de Nederlandse natie. Maar eigenlijk mag ook de socioloog dat niet meer doen en moet hij in het Engels schrijven voor een internationale kring van collega's - die helaas meestal niet erg in de Nederlandse natie is geinteresseerd. Alleen de Neerlandici, de historici en de rechtskundigen hebben nog het voorrecht in het Nederlands te mogen publiceren zonder zich te hoeven schamen. Alle anderen moeten wat hun dierbaar is zien uit te drukken in de taal van andere naties, waarin zij zich emotioneel niet thuisvoelen en die de meesten slechts gebrekkig beheersen.

Deze tweede taalverwerving verloopt moeizaam. Een deel van de culturele elite van de natie - want anders dan in het gewone spraakgebruik reken ik de wetenschap ook tot de cultuur - wordt door de regering en door de organisaties voor wetenschappelijk onderzoek gedwongen zijn moedertaal te verlaten. Wie dagelijks in het Engels moet schrijven kan ook beter dagelijks in het Engels gaan lezen en spreken.

Een onvermijdelijk gevolg van de nagestreefde internationalisering is dat wij dat in de onderzoekscholen ook inderdaad gaan doen. Zij die een verdere scheiding van onderzoek en onderwijs nastreven, zullen dan tot hun vreugde merken dat aan de universiteiten alleen in de eerste fase nog Nederlands wordt gelezen en gesproken door docenten die zelf geen onderzoek meer mogen doen en die de Engelse taal net zo slecht beheersen als de anderen het Frans en het Duits. Het hoger onderwijs en de culturele vorming van de internatie die Engels spreekt. Het parlement heeft opnieuw vastgesteld dat wij niet meer mogen discrimineren. Maar de regering, adviesorganen en wetenschappelijke organisaties bevorderen de discriminatie van het Nederlands, van de Nederlandse taalgemeenschap en dus van de Nederlandse natie. Want in het Nederlands gepubliceerd is niet gepubliceerd.