In Servië werkt niemand meer, iedereen speculeert en calculeert; Groot deel staatsbedrijven is gesloten of functioneert nog slechts pro forma

BELGRADO, 25 FEBR. In het centrum van Belgrado heeft de politie de zwartwisselaars gisteren van de straat verdreven. Het was het eerste zichtbare uitvloeisel van een nieuwe "anti-inflatiepolitiek' van de Servische regering. Voortgaande prijscontroles op meel, suiker en olie zijn aangekondigd, evenals nog niet gespecificeerde maatregelen ter beteugeling van de inflatie, die op dit moment zo'n vijf à zes procent bedraagt - per dag wel te verstaan.

Over de voornaamste oorzaak van de inflatie, de enorme aanmaak van bankbiljetten waarmee de Servische (en Montenegrijnse) overheid zijn ambtenaren en staatsbedrijven betaalt, om de economie tenminste nog enigszins draaiende te houden en de mensen min of meer tevreden, staat in de jongste regeringsverklaring geen woord. En dus gaat de inflatie door: voor één D-mark, die zondag nog zo'n achthonderd dinar waard was op de zwarte markt, krijgt een beetje handige wisselaar nu toch al gauw tegen de elfhonderd dinar.

“Niemand werkt meer, iedereen is bezig met calculeren en speculeren”, zegt een inwoner van Belgrado. Zoals velen leeft hij van een spaarrekening in D-marken bij een van de vele zogenoemde privé-banken in Belgrado, die in werkelijkheid een soort co-produktie tussen de overheid en de onderwereld zijn. Wie het aandurft zijn D-marken bij zo'n bank te deponeren - het risico van een krach of een met je geld voortvluchtige bankier is altijd aanwezig - krijgt vijftien procent rente, per maand. Wie die rente, in D-marken uitbetaald, zwart wisselt, kan van een inleg van duizend mark in Belgrado vrij comfortabel leven.

Opvallend is dat de reguliere staatsbanken in Servië, verantwoordelijk voor de uitkering van salarissen, regelmatig zonder dinar-biljetten zitten. De privé-banken en de semi-officiële wisselkantoren in Belgrado waarvan vele in handen zijn van Arkan, de onderwereldkoning die ook bekend staat als aanvoerder van zijn eigen legertje in Servisch-Kroatië en sinds kort lid van het Servische parlement, schijnt het daarentegen nimmer aan dinar-biljetten te ontbreken, knisperend nieuw en in steeds grotere nominaties. De grootste is nu die van 50.000 dinar, maar het lijkt nog slechts een kwestie van een maandje of wat voordat je ook daarvoor alleen nog maar een kop koffie kunt kopen.

Heel Belgrado lijkt dezer dagen op te scheppen over geslaagde wisseltransacties of andere inkomens-schepping. Met name wie vorig jaar een hypotheek heeft genomen woont nu gratis. De hoogste hypotheekrente in 1992, 56 procent, viel immers in het niet bij de 19.000 procent inflatie die aan het eind van het jaar kon worden vastgesteld. Maar niet iedereen heeft de beschikking over harde valuta en wie is aangewezen op een van staatswege in dinars verstrekt salaris of pensioen ziet zijn inkomen maandelijks slinken, ondanks de indexering. De buschauffeurs van Belgrado hebben vorige maand, middels een staking, het stadsbestuur zover gekregen dat hun salaris, geïndexeerd uiteraard, per halve maand wordt uitgekeerd.

Een lichtpuntje voor salaristrekkers is wellicht dat in veel gevallen geen arbeidsprestatie meer hoeft te worden verricht. Zestig tot zeventig procent van de industriële en andere staatsbedrijven, zo schatten deskundigen, is gesloten of functioneert nog slechts pro forma, met het personeel op verplichte vakantie van onbepaalde duur. De staat denkt er evenwel niet aan de uitbetaling van salarissen stop te zetten of personeel te ontslaan, beducht als zij is voor een explosie van ontevredenheid onder de bevolking.

“De inflatie is maar een bij-probleem, net als de internationale economische sancties tegen Joegoslavië”, meent Danko Djunic, directeur van het onafhankelijke Economisch Instituut in Belgrado. “Het voornaamste probleem is langdurige structurele zwakte van de Joegoslavische economie, die van vóór de oorlog dateert en in ongeveer vijf jaar het nationaal inkomen per hoofd van de bevolking heeft doen zakken van ongeveer 2.500 à 3.000 dollar per jaar, tot ongeveer 500 à 700 dollar nu. In zekere zin komen de sancties onze overheid wel goed uit, omdat het buitenland nu van alle problemen de schuld kan krijgen.

“Maar de ware problemen zijn de al vijf, zes jaar gelden ingezette daling van de industriële produktie, de concurrentiepositie van onze export in het buitenland en de toenemende tekorten op de handelsbalans. Op zich hoeven hoge inflatiecijfers niet onmiddellijk tot de economische ondergang te leiden, zoals de ervaring in andere landen heeft bewezen. Met een binnen- en buitenlandse markt, de mogelijkheid van het opnemen van kredieten op "zachte' voorwaarden en een produktiebasis kan een land zelfs met hyperinflatie leven. Maar die produktiebasis ontbreekt hier steeds meer. En activiteiten als geldwisselen, of de smokkel van olie en sigaretten vormen nu eenmaal nauwelijks bijdrage aan het nationale inkomen.”

Onder deze omstandigheden, denkt Djunic, stevent de economie van Servië en Montenegro onafwendbaar op een krach, de totale ineenstorting af. “Niet alleen is onze economie uitgeput, maar ook is de overheid te trots of te stom geweest om bij de instelling van de sancties, acht maanden geleden, de economie daaraan aan te passen. Men had toen natuurlijk een oorlogseconomie kunnen instellen, met distributie van goederen, strenge prijscontroles enz. Dan zouden er ten minste reserves zijn geweest, was de blijvende schade van de sancties beperkt en hadden we het wellicht langer kunnen uitzingen.

“Maar nee, men heeft gedacht dat het wel goed zou gaan, omdat Servië - mede door de onmogelijkheid van export onder het embargo - beschikt over overschotten aan landbouwprodukten en energie. In zekere zin is dat ook zo: het nationale inkomen per hoofd van de bevolking moge gezonken zijn tot het niveau van een redelijk ontwikkeld Afrikaans land, van honger zullen we hier niet vlug sterven. Maar het is natuurlijk onzin te denken dat de Servische economie op den duur zonder import kan. Kunstmest voor de landbouw moet worden geïmporteerd, reserve-onderdelen voor de energie-industrie moeten worden geïmporteerd.”

De nieuwe Servische en Joegoslavische regeringen, uitkomst van de verkiezingen in december, zouden naar verluidt een officiële devaluatie en een denominatie van de dinar in de zin hebben. Maar aan de veelgehoorde roep om een bevriezing van de prijzen geven de regeerders geen gehoor: bij een gestaag groeiende geldvoorraad (en daarmee nominale koopkracht) leidt iedere vorm van prijsbeheersing onmiddellijk tot tekorten of het verdwijnen van het produkt van de markt, zoals in heel Servië al is gebeurd met meel, suiker en spijsolie.

Het dreigt nu ook met brood te gebeuren. In Nisz, de tweede stad van Servië, is het aantal broden per klant tot twee beperkt. In Leskovac is al drie dagen bijna geen brood meer te krijgen: de privé-bakkerijen zijn opgehouden met bakken, omdat de prijsbeheersing deze handeling verliesgevend maakt. De broden van de staatsbakkerijen verdwijnen in de vroege ochtenduren naar de zwarte markt of naar mensen die ze in grote hoeveelheden inslaan om er hun varkens mee te voeren.

Prijsbeheersing werkt alleen nog maar in sectoren waar de overheid zelf distributeur is, zoals bij de electriciteit, die overigens gisteren 145 procent duurder is geworden. De exploitatieverliezen door de inflatie en wanbetaling - slechts tien procent van de pensioengerechtigden blijkt nog in staat zijn maandelijke electriciteitsrekening te voldoen - worden opgevangen door nieuwe overheidskredieten en het lustig doordraaien van de staatsbankbiljettenpers. Ook dat laatste stelt de Servische overheid overigens voor problemen: de onderdelen voor de pers, het papier en de inkt moeten alle uit het buitenland worden ingevoerd.

Miljana zal dit allemaal een zorg zijn. In februari verdiende ze met haar kantoorbaan zestigduizend dinar, en nog eens dertigduizend met haar avondlijke bijbaantje in deze geheel verlaten koffiebar. Wat kun je daarvoor kopen? “Niets”, zegt Miljana eenvoudig en glimlacht. Zestienduizend dinar is de rekening voor een Turkse koffie en een biertje, maar we hebben alleen maar een biljet van 50.000 en de kas van de koffiebar is leeg, geen wisselgeld. “Ach laat maar zitten”, zegt Miljana goedmoedig, “het is niet belangrijk”. In Servië lijkt geld hoe langer hoe minder een rol te spelen.