IJselijk gepiep

Weer een brief, nu een uit Utrecht. Lezer W.R. wil weten waarom bepaalde knarsende en snerpende geluiden zoveel horror-gevoelens oproepen en waarom er tussen mensen wat dat betreft zoveel verschillen in gevoeligheid bestaan. Het blijkt te gaan om de kras van het krijtje dat verkeerd over het schoolbord wordt gestuurd en het kippevel dat sommigen daarvan krijgen. Onbegrijpelijk, vindt R., als je bedenkt dat dezelfde geluidsfrequenties ook voorkomen in het werk van Wagner dat weliswaar snel op de zenuwen werkt maar zonder dat daar horror uit ontstaat.

't Valt niet mee Nederlandse wetenschapsbeoefenaren hierover aan de tand te voelen als men de gruwel niet uit eigen ervaring kent. AW-onderzoekers kenden alleen de huivering die optrad als de besturing van het krijtje zó ongelukkig uitviel dat de nagel van de rechter wijsvinger over het bord kraste. De nagelkras snerpte veel minder dan het "stick-and-slip' geluid van het krijtje zelf (een wrijvings-oscillatie) maar werd bijna fysiek op de eigen nagels overgedragen.

Hoe het zij: het valt niet te ontkennen dat er een reeks van geluiden is die onevenredig heftige reacties oproept bij personen die eraan worden blootgesteld. Een korte rondgang langs daarvoor gevoeligen levert als voorbeelden: het mes over het ontbijtbord, piepschuim over glas, de tram in de bocht, de knarsende kruiwagen, de boor van de tandarts, het vijlen van nagels, duinzand dat onder de schuifelende blote voeten tot zingen raakt, het aansnoeren van droge veters en het verschuiven van een glazen asbak over een tafel waarop wat zand ligt. Er zijn mensen die bijna flauwvallen van het geluid dat watten maken als ze uit elkaar worden getrokken en weer anderen die onwillekeurige spiertrekkingen in het gezicht krijgen van een sopraan die tot het uiterste gaat.

Goed. Maar nu verder. De voornaamste vraag is: wat valt hier eigenlijk te vragen. Je kunt het immers ook omdraaien en stellen dat het een wonder zou zijn als iedereen maar even stoïcijns op alle soorten geluid zou reageren. Dat was de voornaamste handicap van de omvangrijke telefonische speurtocht naar oorzaak en duiding van het horror-gevoel die dan ook navenant weinig opleverde.

De Nederlandse Stichting Geluidhinder houdt zich niet met deze geluidhinder bezig. Geraadpleegde fysici bij TNO's Instituut voor zintuig-fysiologie (IZF) in Soesterberg, het Instituut voor perceptie-onderzoek (IPO) in Eindhoven en de Groningse universiteit kwamen niet veel verder dan de constatering dat er zowel fysiologische als psychologische kanten aan de zaak zitten. (Prof.dr.ir. H. Duifhuis in Groningen ziet overigens alleen fysiologische aspecten: "psychologie is onbegrepen fysiologie'.) Veel horror-geluid is van een hoge frequentie en het menselijk oor heeft in de hoogste frequenties zijn grootste gevoeligheid, dus miscien is veel horrorgeluid vooral: erg hard geluid. Van resonanties binnen het slakkenhuis wilde men niet horen.

En veel gruwel-gevoelens doet men op door de associatie van geluiden met onaangename ervaringen. De tandartsboor, de nagelkras en de asbak in het zand zijn daarvan de beste voorbeelden. Ook dieren kunnen associëren, zoals Pavlov en Skinner leerden, en ook dieren kennen geluid waar ze beroerd van worden. Als dr. J. Vos van het IZF blokfluit speelt verlaat zijn hond de kamer en Vos denkt dat dat zo'n voorbeeld van het dierlijk associatief vermogen is.

Associëren we even door dan komen we van de hond bij kinderen van het soort peuters, kleuters en basischolieren die - zeggen sommigen - wel horror-geluiden voortbrengen maar er zelf geen last van hebben. Het is een waarneming die nog wat verdieping behoeft, zoals de suggestie dat vooral vrouwen last hebben van geknars en gesnerp, maar die waarschijnlijk niet veel verheldert. De fysici raadden aan maar eens een psycholoog te bellen.

Dat werd emotiepsycholoog pof.dr. N.H. Frijda in Amsterdam. Frijda herinnert zich dat het fenomeen in oudere psychologische literatuur wel aandacht kreeg. Tegenwoordig is het geen onderwerp van onderzoek meer - "die onderzoekers van vroeger waren veel leukere mensen'. Voor de vuist weg sprekend brengt Frijda het bord-geknars en -gesnerp van krijt of mes in verband met het gehuil van een baby dat een Auslöser, een sleutel-stimulus is voor verzorgend gedrag. Je zou je kunnen voorstellen, denkt hij, dat het geknars verwant is aan een vroegere angstschreeuw die schrik- en vluchtgedrag opwekte.

Dat in het geknars onbewust het huilen van een baby zelf wordt gehoord (niet zó gek als men bedenkt dat het geluid vaak de melkgift van zogende moeders op gang brengt) had Duifhuis al verworpen. "De spectrale inhoud van baby-geschrei is volkomen anders.'