HOGEROP

Mijn schoolkeuze werd indertijd volledig bepaald door die van mijn hartsvriendin. Ik wilde niet bij haar weg. Zij ging naar de HBS, dus ik ook, daar kon geen advies van het hoofd der school tegenop. Rond Pasen in de eerste klas waren we uit elkaar gegroeid, want zij werd al snel een zelfbewuste jongedame, terwijl voor mij de rol van lastige puber bleek te zijn weggelegd. Maar de keus was gemaakt en zette bepaalde lijnen voor mijn leven uit. Welke studie wel en welke niet? Dus: welke universiteit wel en niet? Dus: welke ontmoetingen wel en niet? Uitmondend in de ontmoeting met de levensgezel. Ik kan tevreden zijn, maar als het minder goed was gegaan met mijn loopbaan zat ik nu misschien wel te mopperen op mijn vader omdat hij nou net die ene keer dat hij streng had mogen zijn, mij mijn zin gaf.

Het zou volgens mij een aardig onderzoek opleveren om mensen eens te vragen naar de motieven voor hun schoolkeuze indertijd. Ik hoor namelijk heel vaak over niet-onderwijskundige motieven. Sommige daarvan lijken op de mijne, andere zijn juist tegengesteld: saaie klasgenoten gingen naar een bepaalde school en daar wilde je niet bijhoren. Maar er waren ook praktische redenen, zoals wanneer de school die een betere keus zou zijn geweest te ver was. Of ouders gaven de voorkeur aan een school met een bepaalde levensovertuiging.

Ik zou mij dan ook kunnen voorstellen dat als kinderen op een voor hen ongeschikt schooltype terechtkomen dit lang niet altijd wordt veroorzaakt doordat op twaalfjarige leeftijd hun capaciteiten nog niet goed kunnen worden beoordeeld - eerlijk gezegd denk ik dat leerkrachten van de basisschool daar in het algemeen heel goede inschattingen van kunnen maken - maar doordat emotionele, sociale en praktische overwegingen meespelen die met die capaciteiten niets te maken hebben.

Een motief dat in dat rijtje thuishoort is dat ouders die zelf weinig kansen hebben gehad, graag willen dat hun kinderen meer zullen bereiken en daardoor soms hoger mikken dan reëel lijkt. Over die wens als zodanig wordt nogal eens denigrerend gedaan, terwijl het toch een begrijpelijk verlangen is. Het is een uitvloeisel van het ouderlijk beschermingsinstinct: de moeilijkheden die jezelf hebt gehad wil je je kinderen besparen. Het hoort tot de bitterste ouderlijke ervaringen als een zoon of dochter dat niet doorziet. De vader die zegt: ""Ik wou dat ik de kansen had gehad die jij hebt en jij verloedert de boel'', is oprecht verdrietig en heeft groot gelijk dat hij blijft denken en doen vanuit zijn eigen lange-termijnperspectief en niet meegaat in de kortzichtigheid van z'n kind.

Met betrekking tot de schoolkeuze is het echter in Nederland misschien wel een beetje een ouderwets motief geworden, want de ouders van twaalfjarigen van nu zijn zelf onderwezen binnen de gelijke-kansen-situatie, die twee generaties terug nog ondenkbaar was. Er is weliswaar een sociale laag die daarin achter is gebleven, maar de kans dat daar kinderen opgroeien die ver onder hun niveau onderwijs krijgen wordt steeds kleiner. Nu zijn vorig jaar echter enkele rapporten verschenen waaruit duidelijk wordt dat allochtone ouders een nieuwe groep vormen waarbinnen dit motief in diverse vormen en met al zijn consequenties leeft.

Het is onder immigranten ook meestal zo gegaan dat voor de eerste generatie alle energie ging zitten in het veroveren van een bestaan in het nieuwe land, waarbij een betere toekomst voor hun kinderen een grote drijfveer was. Een eventuele sociale stijging was pas voor die tweede generatie weggelegd en goede scholing was daarbij doorslaggevend. Onder allochtone ouders van nu in Nederland blijkt dat verlangen zo sterk dat het soms leidt tot irreële verwachtingen.

Als men autochtone en allochtone ouders samen neemt, blijkt dat zestig procent het advies voor schoolkeuze van hun kind precies opvolgt. Ruim twintig procent wijkt daar, zoals dat wordt genoemd "een half niveau' vanaf. Dat wil zeggen dat men kiest voor een brugklas die ook de mogelijkheid voor het naasthogere schooltype openlaat: bij een MAVO-advies gaat het kind dat naar een MAVO-HAVO-brugklas. Negen procent kiest rechtstreeks voor een hoger niveau en negen procent voor een half niveau lager. Het opmerkelijke is nu dat de afwijkingen naar een hoger schooltype naar verhouding veel vaker voorkomen onder allochtone ouders - met name Surinaamse, Turkse en Marokkaanse - dan onder Nederlandse ouders.

Men zou kunnen veronderstellen dat dit een goed tegenwicht vormt voor de eventueel discriminerende tendens dat allochtone kinderen een lager schoolkeuze-advies krijgen. Die adviezen zijn inderdaad lager. Zo krijgt ongeveer zestig procent van de Turkse en Marokkaanse kinderen een LBO-advies - tweemaal zoveel als Nederlandse kinderen - en vrijwel nooit een VWO-advies. Voor Surinaamse en Antilliaanse kinderen zijn de cijfers iets gunstiger, maar alleen de Molukse kinderen komen dicht in de buurt van de Nederlandse.

Grote verschillen dus, maar de onderzoeksresultaten geven geen aanleiding te spreken van discriminatie, maar van positieve discriminatie. De schoolleiding blijkt de neiging te hebben allochtone leerlingen in het algemeen juist iets hoger te adviseren dan autochtone leerlingen met gelijke prestaties. Er worden hiervoor verschillende verklaringen geopperd. Ten eerste dat men inderdaad niet graag van discriminatie wil worden beschuldigd. Ten tweede dat men door taalachterstand van de kinderen geen zuiver beeld krijgt van hun intellectuele capaciteiten en hun het voordeel van de twijfel gunt. Ten derde dat op "zwarte' scholen het algemene prestatieniveau lager ligt, waardoor de beste leerlingen beter lijken dan ze in feite zijn. Voor Turkse en Marokkaanse leerlingen is de afwijking naar boven dus dubbelop. Eerst krijgen zij naar verhouding vaker een hoger advies en hun ouders wijken daar naar verhouding vaker vanaf. In de brugklassen zitten daardoor vaker Turkse en Marokkaanse leerlingen die daar niet thuishoren, achterblijven en moeten doubleren. Dat is een slechte start voor een schoolloopbaan en het ondermijnt de motivatie. Ziedaar een verklaring voor het grote aantal vroegtijdige schoolverlaters.

De stereotiepe gedachte dat ouders met een lage scholing weinig belang hechten aan onderwijs voor hun kinderen wordt in onderzoek op geen enkele wijze bevestigd. Men vindt het integendeel zo belangrijk dat de ambities geen rekening houden met de werkelijke mogelijkheden. Een verschil met hoger opgeleide ouders is wel dat die desgevraagd vaker wijzen op de algemene ontplooiingswaarde van onderwijs, terwijl laag opgeleide allochtone ouders een vaker instrumentele opvatting hebben: hen staat veelal een goed beroep voor ogen: hun kind moet dokter worden of leraar of advocaat en daarvoor moet het leren. Maar het zicht op wàt daar dan allemaal voor geleerd moet worden ontbreekt nogal eens.

Het zal moeilijk zijn een manier te bedenken waarop men ouders enerzijds voorlicht over een realistischer verwachtingspatroon, maar anderzijds hun optimisme niet dooft. Optimisme mag men juist immigranten niet ontnemen.

Maar ook aan de kant van de scholen mag wel iets worden gedaan. In een van de rapporten wordt erop gewezen dat in de race om leerlingenaantallen scholen de hand lichten met de criteria die eigenlijk voor toelating zouden moeten gelden. Men weet wel dat een bepaalde groep leerlingen de brugklas niet zal kunnen halen, maar binnen is binnen.

De Mammoetwet werd indertijd ontworpen om kinderen de kans te geven, gaande hun schoolloopbaan naar boven en naar beneden soepel te switchen zonder van scholengemeenschap te hoeven veranderen.

Het heeft niet gewerkt. Nu is de beurt aan de basisvorming.

Door niveauonderwijs per vak wordt motivatie versterkt doordat een leerling voortdurend naast zwakke kanten ook sterke kanten kan ontwikkelen. Bovendien wil men voorkomen dat leerlingen van twaalf jaar door schoolkeuze te veel worden vastgelegd in hun latere mogelijkheden.

Maar zou je als je vijftien bent bij de keuze van het onderwijs daarna je nooit meer laten leiden door niet-onderwijskundige motieven? Je zult maar verliefd zijn, dan ga je toch mee?

Guuske Ledoux, Piet Deckers, Elly de Bruijn, Eva Voncken: Met het oog op de toekomst. Ideeën over onderwijs en arbeid van ouders en kinderen uit de doelgroepen van het Onderwijsvoorrangsbeleid. Amsterdam; SCO, 1992.

Lia Mulder & Paul Tesser: De schoolkeuzen van allochtone leerlingen. Nijmegen: Instituut voor Sociale Wetenschappen, 1991.