Het zonnestelsel bijbenen

Dit jaar viert het Sterrenkundig Instituut van de Utrechtse universiteit zijn 350-jarig bestaan, omdat in 1643 de eerste waarnemer werd aangesteld.

Al een jaar eerder besloot de Utrechtse vroedschap een sterrekijker aan te schaffen en een toren in te richten voor, "astronomische speculatiën'. Dat was vroeg in de geschiedenis, want Galileo deed zijn grote ontdekkingen slechts dertig jaar eerder, in 1610. Hoeveel zijn we in die driehonderdvijftig jaar te weten gekomen? Prof. dr. C. de Jager, emeritus-hoogleraar en voormalig beheerder van de Utrechtse sterrenwacht, moet lachen om zo'n vraag en zegt: “Wij weten een fractie van een fractie van één procent. Meer niet. Maar we gaan vooruit. Elke maand worden er nieuwe ontdekkingen gemeld, zoals planetenstelsels in wording of, kortgeleden, de aard van een al achttien jaar bekende bron van gamma-straling in Gemini. Die bron blijkt een kleine ster te zijn van twintig kilometer doorsnee, met een zeer hoge dichtheid: één kubieke meter weegt honderd miljard ton. Als die dichtheid nog iets hoger zou zijn, was die ster een zwart gat geworden, waaruit geen licht kan ontsnappen.' Prof. de Jager legt nu de laatste hand aan een boek over de 350-jarige geschiedenis van de sterrenkunde in Utrecht. Een bolwerk voor de sterrenkunde zal dit najaar verschijnen, als onderdeel van de jubileumviering. Twee jongere collega's van hem, prof. Jan Kuijpers en prof. Henny Lamers, hebben de laatste jaren veel energie besteed aan dat evenement. Dus minder tijd om achter de telescoop naar de hemel te kijken? Ze vertellen dat die romantiek helaas grotendeels verleden tijd is. “Hier in Utrecht, in heel Nederland, kun je nauwelijks werken door het weer en door teveel hinderlijk licht. Daarom delen we met de Britten een observatorium in La Palma, op de Canarische eilanden, en een station in het Andesgebergte met andere Europese landen. Daar zit je wel in de controlekamer achter computerschermen, zelf kijken is er nauwelijks meer bij. Hoogstens thuis, voor het plezier en de opwinding.” Kuypers en Lamers zijn eensgezind in hun waardering voor amateur-sterrenkundigen. “De grote telescopen zijn meestal op specifieke objecten gericht. Daarom is het nuttig wanneer amateurs het basiswerk doen, zoals het meten van het helderheidsverloop van sterren, waardoor je een soort archief van hun ontwikkeling kunt opbouwen. Heel bruikbaar zijn ook waarnemingen van de zon en van dubbelsterren, hoe die elkaar benvloeden, en gegevens over kometen en planetoïden. Er gebeurt nu eenmaal zoveel in ons zonnestelsel en daarbuiten dat professionals het niet kunnen bijbenen.”