Grote school voelt klein aan

Een beetje school moet straks zo'n 2.000 leerlingen hebben, vindt het ministerie van onderwijs. Waarom eigenlijk?

Vroeger was de kleine school heel gewoon. Gymnasia, HBS'en, MULO's, LTS'en waren ruimhartig over het land gestrooid. In de afgelopen 25 jaar is deze lappendeken in twee fusiegolven opgerold.

Op dit moment is de grootste school in Nederland het dr. Nassau-college in Assen, met ruim 2.700 leerlingen. Haar geschiedenis is die van het Nederlandse schoolsysteem in notedop. In 1972 ontstond de Nassau-school voor VWO, HAVO en MAVO uit een fusie tussen een gymnasium, een HBS en een MULO. Zo konden leerlingen, conform de bedoelingen van de Mammoetwet (1968), voortaan van schooltype veranderen zonder dat ze naar een andere school moesten. In 1991 kwamen er drie LBO-scholen en een HAVO/MAVO-school bij. Volgend jaar verwelkomt de school nog eens drie MAVO-scholen op het platteland van Drenthe. De grens van drieduizend leerlingen zal op het Nassaucollege volgend jaar ruimschoots worden overschreden.

De scholen groeien, maar nog altijd bestaat het idee dat kleine scholen beter zijn - een overtuiging die wetenschappelijk bewijs ontbeert, overigens. Grote scholen krijgen per leerling ook minder geld dan kleinere: de regels voor bekostiging zijn nog altijd gebaseerd op kleine scholen. Fusie-scholen gaan er dan ook vrijwel altijd financieel op achteruit.

Om de negatieve beeldvorming van grote scholen te doorbreken is vorige week in Amersfoort een belangengroep voor brede scholengemeenschappen opgericht, waarvan direct zo'n zestig scholen lid werden. De vereniging verwacht dat per augustus ongeveer 103 brede scholengemeenschappen zullen ontstaan, met 1.500 tot 4.000 leerlingen. ""Op grote scholen kan wel degelijk kleinschalige aandacht voor leerlingen bestaan'', zegt B.A. Zweers, rector van het Dollard College in Winschoten en voorzitter van de vereniging, ""als de bevoordeling van kleinere scholen maar eens wordt afgeschaft.''

Uit de voeten kunnen

De recente fusiegolf heeft een aantal oorzaken. De onderwijspolitiek wil dat de schoolomvang toeneemt, omdat grote scholen het best uit de voeten kunnen met de bestuurlijke, organisatorische en financiële autonomie die het onderwijs is beloofd in het kader van de terugtredende overheid. Een school met 1.500 tot 2.000 leerlingen heeft een mooi draagvlak voor zelfstandigheid, zei staatssecretaris Wallage eind vorig jaar. Ook de basisvorming zou het best kunnen worden verzorgd op scholen met ongeveer 2.000 leerlingen, berekende het ministerie, om een zo breed mogelijk onderwijspakket te kunnen aanbieden. Op een brede school komen de idealen van doorstromen en uitstel van studiekeuze het best tot hun recht. Verder zouden "brede' scholen de redding kunnen betekenen voor het lager beroepsonderwijs, dat nauwelijks nog gedijt in zelfstandige scholen met steeds minder leerlingen. Hetzelfde geldt voor zelfstandige MAVO-scholen. Maar prozaïsche redenen spelen ook een rol: geld bijvoorbeeld. Grote scholen zullen goedkoper kunnen werken, luidt de verwachting.

Sinds vorig jaar zekerheid is gekomen over de basisvorming, is het aantal aanvragen voor brede scholengemeenschappen flink toegenomen: van negen in 1991 tot zestig dit jaar. Veel van deze scholen zullen overigens nog jaren verspreid zijn over verschillende gebouwen. Vaak wordt het leerlingen via nevenvestigingen mogelijk gemaakt dicht bij huis de eerste jaren basisvorming te volgen.

En hoe bevallen de grote scholen? J.M.P. Neuvel, lid van de centrale directie van het Nassau-college, mist ""de charme van het persoonlijke informele verkeer'' van zijn oude, kleine school. Maar hij verwacht dat zoiets op het Nassaucollege nog zal groeien, omdat de school organisatorisch en onderwijskundig in drie kleinere sectoren is opgedeeld. ""Eigenlijk hebben we hier drie middelgrote scholen. Op de HAVO/VWO-sector hebben we bijvoorbeeld negentig leerlingen en zestig tot zeventig leraren, met drie directieleden. Daar ontstaat nu ook een gevoel van kleinschaligheid.''