Geld Europa voor probleem-industrieën; EZ: steun aan bedrijf uitzondering

DEN HAAG, 25 FEBR. Alleen in “majeure gevallen met een uitzonderlijk karakter” worden ondernemingen met financiële problemen - die geen aanspraak kunnen maken op bestaande regelingen - door de overheid geholpen. Dat schrijft minister Andriessen (economische zaken) in een brief over het industriebeleid in de jaren negentig die gisteren naar de Tweede Kamer is gestuurd.

Andriessen vindt het “ten principale” niet de verantwoordelijkheid van de overheid om op te draaien voor verkeerd uitgevallen bedrijfsbeslissingen. De overheid is geen lender of last resort wanneer alle andere partijen de financiële risico's te groot vinden.

Voor steunverlening hanteert het ministerie van economische zaken drie criteria. Een bedrijf moet van grote economische en hoogwaardige technologische betekenis zijn. Als voorbeeld nomet Andriessen in zijn brief DAF en Fokker. “Dit moeten niet verward worden met een zogenaamd Oranje-gevoeld: houdt onze nationale industrie in Nederlandse handen.”

Een tweede voorwaarde is dat het bedrijf “na een tijdelijke bijdrage” van overheid weer op eigen benen moet kunnen staan. En tot slot moet bij de verlening van steun ook banken, financiële instellingen en aandeelhouders bereid zijn een substantiële bijdrage aan de oplssing van de problemen te leveren. Als aan deze voorwaarden is voldaan, is het nog geen automatisme dat de overheid ook daadwerkerkelijk steun gaat verlenen, aldus Andriessen.

Volgens Andriessen bieden de beleidsinstrumenten (zoals de Bijzondere Financiering en het pas opgerichte Industriefonds) en de “geformuleerde ambities” voldoende draagvlak voor de industriële bedrijven om de concurrentie in de komende jaren het hoofd te bieden. Door de onvoldoende schaalgrootte en weerstandsvermogen kent de industriële structuur kwetsbare plekken. De huidige conjuncturele situatie brengt de structurele problemen in de industrie “genadeloos naar de oppervlakte”, meent Andriessen

Industriebeleid wordt geassocieerd met een "stroppenpot'. Economische Zaken onderstreept dat dit een te enge benadering is. Essentieel is het creëren van gunstige concurrentievoorwaarden voor het Nederlandse bedrijfsleven. De kwaliteit van de beroepsbevolking, van de infrastructuur, van de samenstelling van de collectieve uitgaven en de bevordering vam technologische vernieuwing moet het kabinet aanpakken.