De waardevastheid van de Cito-toets

Begin deze maand hebben 108.000 leerlingen op bijna 5.300 basisscholen de zogenaamde Cito-toets gemaakt. Het belang van de toets neemt door de basisvorming alleen maar toe. Nieuw zijn dit jaar de toetsen Turks, Arabisch en "wereldoriëntatie'.

Sommige ouders denken van wèl, maar officieel is de Cito-toets niet verplicht en is het ook geen eindexamen basisonderwijs. Scholen voor HAVO en VWO, en sinds dit jaar ook voor MAVO, zijn wel verplicht bij de aanname van nieuwe brugklassers behalve naar het advies van de basisschool ook te vragen naar de resultaten van een "geschiktheidsonderzoek'. Dat kan de Cito-toets zijn, maar het hoeft niet.

Sommige basisscholen doen niet mee met de toets omdat ze vinden dat deze niet aansluit bij hun pedagogische of onderwijskundige principes. Andere scholen gebruiken vanouds een andere maar vergelijkbare toets om een inschatting te maken van het niveau van hun leerlingen. Maar het marktaandeel van het Cito groeit gestaag. Vorig jaar passeerde men de magische grens van 100.000 deelnemers, dit jaar zit men op 108.000: zestig procent van de basisscholen doet nu mee.

De Cito-toets (eigenlijk: Eindtoets Basisonderwijs) bestaat uit zestig opgaven voor taal, zestig voor rekenen en zestig voor "informatieverwerking' (tekstbegrip, gebruik van woordenboeken, tabellen en grafieken). Dit jaar zijn er voor het eerst ook toetsen voor "wereldoriëntatie' en, voor scholen met veel allochtone leerlingen, Turks en Arabisch. "Wereldoriëntatie', waaraan 1.200 scholen meedoen, bevat zestig opgaven op het gebied van natuuronderwijs, geschiedenis, aardrijkskunde, maatschappelijke verhoudingen en geestelijke stromingen. Als scholen dat willen, wordt de toets een standaardonderdeel in de 'gewone' Eindtoets Basisonderwijs.

Alle 180 opgaven van de Eindtoets Basisonderwijs zijn meerkeuzevragen. Het Cito heeft daarvoor gekozen wegens de mogelijkheid van objectieve correctie, verwerking door de computer en de toetsing van veel leerstof in korte tijd. De scores voor de toetsen wereldoriëntatie, Turks en Arabisch moeten de scholen zelf verwerken.

Deelnemende scholen krijgen twee rapportages: een leerlingrapport en een schoolrapport. Omdat absolute aantallen weinig zeggen, is de zogenaamde percentielscore hier het belangrijkste. Die geeft aan hoeveel leerlingen in dezelfde stad of streek evenveel of minder opgaven goed hadden. Een score van 45 goede antwoorden op zestig vragen bij taal lijkt misschien aardig (driekwart goed!), maar de bijbehorende percentielscore van 56 laat weten dat 44 procent van de kinderen méér opgaven goed had. De standaardscore laat zien hoe een leerling heeeft gepresteerd in vergelijking met leerlingen in de rest van het land en in voorgaande jaren. De standaardscore loopt van 501 tot 550 en ligt gemiddeld rond de 535. Scholen voor vervolgonderwijs letten vaak op deze standaardscore.

Smijten met jargon

Om het voor statistisch minder goed onderlegde ouders en leerkrachten duidelijk te maken maakt het Cito een zogenaamde poppetjesgrafiek. Deze term is van het Cito zelf en zorgt voor een flinke stijlbreuk in het rapport: enerzijds wordt er gesmeten met jargon als percentielscores en standaardscores, anderzijds spreekt het Cito van de "poppetjesgrafiek' alsof iedereen alleen maar kleuterschool gehad heeft. De poppetjes lijken overigens meer op sleutelgaten dan leerlingen.

Uit de poppetjesgrafiek is af te lezen of een leerling in de verschillende schooltypen tot de zwakkere of sterkere leerlingen zou behoren. Om tot verantwoorde prognoses te kunnen komen onderzoekt het Cito in welk type onderwijs leerlingen met een bepaalde standaardscore terechtkomen en hoe ze het daar doen. Erg eenduidig is de voorspelling in de poppetjesgrafiek niet, maar dat kan ook niet. Er zijn altijd leerlingen met een hoge score die het slecht doen op het HAVO en het VWO en leerlingen met een lage score die het daar juist heel goed doen. Allerlei psychologische factoren als motivatie, doorzettingsvermogen, aanleg en faalangst spelen een belangrijke rol maar worden niet gemeten in de Cito-toets.

Hoe zwaar weegt nu de Cito-toets bij de overgang naar het vervolgonderwijs? Scholen met de zwaarste selectie zoals gymnasia hechten er de meeste waarde aan, brede scholengemeenschappen de minste. Drs. C.F. Joosse, rector van het Stedelijk Gymnasium in Arnhem, laat op zijn school alleen leerlingen toe die van hun basisschool een VWO-advies hebben meegekregen en voor de Cito-toets een standaardscore hadden tussen 540 en 550. Joosse: ""Het advies van de basisschool vinden we het belangrijkste. Het is gebaseerd op een heel jaar terwijl de Cito-toets een moment-opname is. Wel vinden we de Cito-toets redelijk betrouwbaar. We gebruiken hem als tweede gegeven. Als de Cito-toets afwijkt van het advies van de basisschool nemen we daarmee contact op. Het kan zijn dat een leerling erg gespannen was of net ziek was geweest toen de Cito-toets gemaakt werd en daarom laag scoorde. Soms wordt een leerling in overleg met de ouders nog eens extra getest.''

Op de scholengemeenschap Betuwe-Oost in Bemmel speelt de Cito-toets eigenlijk geen rol bij de toelating. Als brede scholengemeenschap is Betuwe-Oost - in tegenstelling tot categoriale scholen en scholengemeenschappen zonder VBO - ook niet verplicht te vragen naar een tweede oordeel, al dan niet in de vorm van een Cito-toets. Conrector H. van Gend: ""Wij gaan af op het advies van de basisschool. Alleen als er grote verschillen zijn tussen het advies van de basisschool en de wil van de ouders, kijken we naar de Cito-toets. Soms kijken we nog wel eens naar de Cito-toets als een leerling een tijdje op school zit.''

Examensfeertje

Niet elke basisschool gebruikt de Cito-toets of een vergelijkbare schoolvorderingstoets. ""De Cito-toets vraagt te veel naar feitenkennis, zegt directeur P. van Zoest van de roomskatholieke basisschool St. Jozef in Reeuwijk. Hij neemt zijn leerlingen een toets af - ook van het Cito - die speciaal ontworpen is om lacunes op te sporen in taal, rekenen en informatieverwerking. De rest van zijn onderwijs stemt hij af op het wegwerken van de hiaten. Het liefst zou hij helemaal geen toets afnemen, wegens de druk op de kinderen en het "examensfeertje' dat toetsen onvermijdelijk oproepen. ""Zeker als leerlingen weten dat de toets iets te maken heeft met hun eigen toekomst.'' Op zijn school worden de vorderingen van leerlingen wel op de voet gevolgd maar er wordt weinig getoetst. Aan toetsen zoals die van het Cito zijn zijn leerlingen niet gewend en hij wil zijn onderwijs daar ook niet op afstemmen.

Om aan zijn verplichting te voldoen gebruikt Van Zoest de BOB-test: Beta's "Overgangstest naar de Brugklas' van de Stichting Beta in Lelystad. Die zegt volgens hem meer over het inzicht van leerlingen en geeft belangrijke psychologische informatie. De test, die op 45 scholen wordt gebruikt, geeft inzicht in de vaardigheden en het algemene intellectuele functioneren van leerlingen. Volgens psychologe Rita Kohnstamm - die de BOB-test en de Cito-toets vorig jaar in deze krant vergeleek - meet een test als de BOB-test de "leergeschiktheid' of het potentieel van een leerling, terwijl de Cito-toets vooral meet wat al is bereikt of gerealiseerd.

Behalve over de verbale en rekenkundige aanleg en het algemeen logisch inzicht meet de BOB-test ook belangstellingen. Als ouders twijfelen tussen MAVO en VBO kan dat belangrijk zijn. Heeft een kind uitgesproken belangstellingen voor bepaalde beroepen dan kan VBO een betere keuze zijn dan MAVO. Is de belangstelling weinig gedifferentieerd, dan kan het omgekeerde beter zijn.

Pijnlijke situaties

Kohnstamm zou eigenlijk willen dat Cito-toets en BOB-test beide worden afgenomen. Dat gebeurt nu niet, vermoedt zij, omdat een discrepantie tussen Cito-toets en BOB-test wel eens tot pijnlijke situaties kunnen leiden. Als de aanleg er wel blijkt te zijn, maar daar niets van terecht gekomen is, kunnen ouders zeggen dat de school niet deugt, terwijl de school kan zeggen dat het aan het milieu ligt.

Heeft de Cito-toets nog wel nut, als volgend schooljaar de basisvorming ingaat? Staatssecretaris Wallage ziet het liefst heterogene groepen met VBO-, MAVO-, HAVO- en VWO-kandidaten in één klas en brede scholengemeenschappen omdat die het oorspronkelijke idee van de basisvorming het dichtst benaderen.

Maar de praktijk blijkt sterker dan de leer. Veel categoriale scholen verzetten zich tegen fusies. Tegelijkertijd zien veel brede scholengemeenschappen zich gedwongen af te stappen van heterogene groepen. Zo'n scholengemeenschap is Betuwe-Oost in Bemmel. Volgend jaar schakelt de school over van heterogene naar meer homogene brugklassen. Conrector Van Gend: ""Als we doorgaan met heterogene brugklassen, fietsen te veel leerlingen onze school voorbij. In Almere, waar je alleen brede scholengemeenschappen met heterogene brugklassen had, gaan veel leerlingen om die reden al naar scholen in het Gooi.''

Omdat ouders ondanks de gemeenschappelijke basisvorming nog steeds moeten kiezen tussen schooltypen en scholen leerlingen moeten selecteren, neemt het belang van testen en toetsen als de Cito-toets eerder toe dan af. Zeker nu Wallage ook voor de MAVO een geschiktheidsonderzoek verplicht heeft gesteld. Reden is dat hij de drempel naar de MAVO wil verhogen om de stroom leerlingen naar het beroepsonderwijs weer wat te laten aanzwellen.