De verre goden van Jan Bor

Schilderijen van Jan Bor. 2 t/m 9 maart in de Van den Brink Galerij van het Singer Museum te Laren. Christiaan Bor zal daar op 6 mrt ((20u15) een concert geven met zijn Reizend Muziekgezelschap. Uitgevoerd worden werken van Mozart, Loeffler en Brahms. Inl 02153-15656.

Jan Bor (Nijmegen 1910) kreeg bekendheid door de leerlingen die hij les gaf, in de eerste plaats zijn twee zonen Christiaan en Dick. Bor was echter autodidact op twee terreinen: als violist en als schilder. Zijn schilderkunst is buiten kleine kring nooit bekend geworden. Zijn laatste expositie dateert uit 1950. Ruim veertig jaar nadien zal het Singer Museum in Laren één week werk van Bor exposeren. Op een van de tentoonstellingsdagen speelt zoon Christiaan de viool. Bor legde zich als jongeman toe op tekenen en schilderen en kreeg vlak voor de oorlog les van Charley Toorop en later van J.H. Jurres, hoogleraar aan de Rijksacademie. Hij werd lid van de kunstenaarsvereniging "De Brug', maar na exposities in het Stedelijk Museum en in het Museum Mesdag is hij met zijn werk niet meer naar buiten getreden. Hoewel hij is blijven schilderen heeft Bor om den brode steeds meer aandacht aan het vioolonderricht moeten geven. Veel van zijn werk is onvindbaar verspreid geraakt.

In zijn vroegste werk is de invloed van Charley Toorop zichtbaar, vooral in een krachtig broedend zelfportret uit 1940. De Magisch Realisten, zoals ze later zijn gaan heten, waren voor Bor verre goden van wie hij het werk voornamelijk kende door reproducties bij krantenrecensies. Toen hij op een tentoonstelling het werk van Willink, Koch, Ket en Hynckes in werkelijkheid zag, maakte dat op hem een verpletterende indruk. Vooral Hynckes heeft hem sterk benvloed. Behalve op portretten legde Bor zich toe op stillevens. Het zijn sombere precies geschilderde composities, opgebouwd uit alledaagse, wat norse voorwerpen: een fles, een kabel met een katrol, een hooivork, een ijzeren haak, een hand van gips, geplaatst op een tafel, op plavuizen of hangend aan een balk. De hardheid wordt enigszins getemperd door vegetatie, door klimop en droogbloemen, maar "vanitas' blijft het schilderij beheersen. Het hout is aangetast, de stenen brokkelen af, de steel van de hooivork is gebroken, evenals de stengel van de Judaspenning. Deze symboliek verleent samen met de afstandelijke schilderwijze de doeken een navrante atmosfeer. Er is op deze schilderijen definitief iets voorbij. Hoe klein de selectie ook is, zij maakt nieuwsgierig naar meer werk van deze vergeten schilder die de viool heeft laten winnen van het penseel.